Gerwani Archive
Researcher log in

← GA-00484

De verkeerde gok van de Indo’s (Taruhan keliru orang Indo)

Cleaned OCR text (Fair (0.87); proof-reading: no (script-cleaned only)). Old Indonesian spelling has been converted to modern EYD. [Unreadable] marks text that could not be recovered. English translation below.

Text

Op 17 augustus 1945 werd de Republiek Indonesië uitgeroepen. Soekamo werd president. Nederland erkende de nieuwe status van de kolonie niet en probeerde door militair ingrijpen in 1947 en '48, de zogenoemde politionele acties, het gezag te herstellen. Onder druk van de VS droeg Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit over, met uitzondering van Nieuw-Guinea. Dat eiland werd in 1962 door Indonesië ingelijfd. Van 21 tot en met 31 augustus gaan koningin Beatrix, prins Claus en prins Willem-Alexander voor een staatsbezoek naar Indonesië. Vandaag het eerste van een reeks verhalen over de Republiek Indonesië die de komende weken in deze krant wordt gepubliceerd. Door And ré Bei jen Mhdan - Harry Cologne is een Indische Nederlander, maar Nederlands spreekt hij niet. In het Indonesisch is hij nauwelijks verstaanbaar. Hij stoot nasale klanken uit die zich pas na veel herhaling laten ontcijferen. Naast zijn linker wenkbrauw zit een gezwel, zijn tanden zijn weggerot en hij loopt op blote voeten. Hij draagt een verschoten groen overhemd dat valt over een vuile lange broek en ziet er uit als een armoedzaaier. Dat is hij ook. Cologne (47) heeft betere tijden gekend. Maar dat was lang geleden toen hij als kind speelde in de tuin van het ouderlijk huis in Medan (Sumatra). Zijn vader, cipier in de gevangenis, was van gemengd bloed, evenals zijn moeder, dochter uit het huwelijk van Willem Maarten Westerman uit Arnhem en een Javaanse vrouw. De Indische Nederlanders, ook wel Indo's genoemd, spiegelden zich in de vooroorlogse kolonie aan de Nederlandse elite. Eenzelfde status als de blanke Nederlander was voor hen niet weggelegd, maar in de koloniale standenmaatschappij stonden de Indo's boven de autochtone bevolking. Een positie die hen na de onafhankelijkheid van Indonesië zou opbreken. De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan de koloniale droom en de volbloed Nederlanders keerden terug naar het vaderland. De Indo's stonden voor de keus: blijven en de Indonesische nationaliteit (warga negara) aannemen of een enkele reis naar het nooit bezochte land van hun blanke voorvaders. Echt welkom waren ze daar niet. Al tijdens de Ronde Tafel Conferentie in 1949 tussen Nederland en Indonesië was Den Haag ervan uitgegaan dat de meeste Indische Nederlanders zouden (en moesten) kiezen voor de Indonesische nationaliteit. Het kabinet had zijn beleid op die gedachte afgestemd. Men vreesde dat de Indo’s aanpassingsproblemen zouden hebben in Nederland. Bovendien was er een praktisch bezwaar: de wonmgschaarste in Nederland, dat nog worstelde met de gevolgen van de oorlog, was groot. Een grote volksverhuizing vanuit de Oost was daarom niet wenselijk. De politiek verkeek zich op de gevoelsmatige band van de Indo’s met het koninkrijk. Het regende aanvragen voor de overtocht. De dringende aanbeveling van de Nederlandse autoriteiten om te opteren voor het warga negaraschap, vond weinig gehoor. Ook wettelijke barrières, waarbij Indische mensen die naar Nederland wilden aan de hand van — vaak niet meer op te sporen — officiële documenten moesten aantonen aat ze Nederlander waren, leverden voor Den Haag niet het gewenste resultaat op. Tussen 1945 en het eind van de jaren zestig vestigden zich in ons land ruim 300.000 Indische Nederlanders. De ouders van Harry Cologne uit Medan verkozen aanvankelijk te blijven, maar zoals de meesten die dezelfde beslissing hadden genomen, kregen ze er later spijt van. De positie van de Indo’s — die in de jonge republiek niet zelden werden beschouwd als de voormalige handlangers van de blanke kolonisatoren — verslechterde in de jaren vijftig, mede onder invloed van de gespannen verhoudingen tussen Nederland en Indonesië over de kwestie Nieuw-Guinea. De Colognes misten de boot. Onwetendheid over de 'terugkeerregeling naar Nederland’, in de hand gewerkt door de bureaucratische rompslomp die moest worden vervuld, bezegelde hun lot. Harry’s ouders stierven in armoede, zonder hun kinderen de gelegenheid te hebben gegeven een behoorlijke school* opleiding t» volgen. Harry werkt nu als klusjesman bij een welgestelde familie. Zijn schamel inkomen wordt aangevuld met een maandelijkse bijdrage van de Nederlandse stichting Halin (Hulp aan Landgenoten in Indonesië). Halin heeft een lijst samengesteld van behoeftige Indo’s die een maandelijkse uitkering krijgen van 55.000 tot 75.000 rupiah (circa 50 gulden). „Voorwaarde is dat de mensen bewijzen moeten overleggen van hun Nederlandse afkomst”, zegt dr Mariono, de Halin-vertegenwoordiger in Indonesië. De stichting houdt kantoor in een pand van de katholieke kerk in Jakarta omdat een vestigingsvergunning ontbreekt. Mariono vertelt dat thans 960 gezinnen hulp ontvangen. „Dat zijn onze vaste klanten. In principe komen alleen mensen boven de zestig zonder enige bron van inkomsten in aanmerking, hun kinderen of kleinkinderen niet. Maar natuurlijk wordt er wel eens een uitzondering gemaakt.” Halin functioneert ook als een soort postkantoor. „Indische gezinnen in Nederland sturen via ons vaak geld naar achtergebleven familieleden. Wij zorgen dat het op de bestemde plaats komt. Het is voordeliger via Halin geld op te sturen omdat de stichting van de bank de gunstigste omwisselkoers krijgt”, legt Mariono uit. Het bestaan van de stichting is Willem Dijkstra (74) niet bekend. Ook Boetje de Wijngaert (67) en Ronald Bodamer (67), allen Indo’s die gekozen hebben voor het Indonesisch staatsburgerschap, kennen Halin niet. Het drietal zit op het platje voor het guesthouse van Jimmy Jansen in Medan. De Indische gemeenschap in de grote havenstad telt zo’n zestig gezinnen. Jansen heeft dank zij zijn pension, dat zeer populair is bij Nederlandse vakantiegangers, geen geldzorgen. Dat geldt niet voor zijn drie Indische vrienden die moeite hebben de eindjes aan elkaar te knopen. Per gezin moeten zij maandelijks rondkomen van 200 gulden of minder. De levensgeschiedenis van het allengs groter wordende gezelschap voor Jansens huis is bepaald door de oorlog en de gewelddadige pogingen van Nederland in de daaropvolgende jaren de onafhankelijkheid van Indonesië tegen te houden. „Terugkijkend kun je zeggen dat de Indo’s die na de oorlog hier zijn gebleven, verkeerd hebben gegokt”, zegt Dijkstra op een wijze die geen tegenspraak duldt. Zijn zware brilmontuur verschaft hem een streng uiterlijk. Hij is de onbetwiste autoriteit in het gezelschap en wellicht daardoor het mikpunt van goedmoedige grapjes over zijn ‘voorkeur voor jonge vrouwen’ en zijn donkere huidskleur (‘zelfs voor een Indo ben je wel erg zwart’). „We hoopten in de republiek een soort tussenpersoon te worden voor Nederland en Indonesië. De Nederlands-Indonesische Unie verschafte ons die hoop.” (In 1949 bekrachtigden beide landen een samenwerkingsverband binnen een Unie met de Nederlandse koningin aan het hoofd.) „De Unie was een lege huls”, aldus Dijkstra. „Toen Indonesië in 1956 de Unie opzegde, stonden wij met lege handen.” Er waren ook persoonlijke redenen om te blijven. „Veel Indo’s waren getrouwd met Indonesische vrouwen. Die wilden natuurlijk niet weg.” Dijkstra, eveneens gehuwd met een Indonesische, probeerde er het beste van te maken. Hij bekeerde zich zelfs tot de Islam. „Noem het maar gerust chrislam", lachen zijn makkers. „Als islamiet mag je vier vrouwen hebben en als christen kim je alcohol drinken en sateh van varkensvlees eten.” DE Indo’s hebben een gecompliceerde verhouding met Nederland. Hun genegenheid komt tot uiting in de wens zich er alsnog te vestigen voor een onbezorgde levensavond. Tegelijkertijd heerst er verbittering over de Nederlandse onverschilligheid over het lot van de achtergebleven Indo’s, die tijdens de oorlog en de roerige na-oorlogse jaren uit naam van het Koninkrijk streden tegen de Indonesische nationalisten. Vooral op de wijze waarop Nederland zijn ‘financiële schuld’ afwikkelt, hebben ze kritiek. Dijkstra: „Wij zaten als Nederlandse militairen in Japanse krijgsgevangenkampen en hebben recht op een WUV-uitkering. (Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers aan ex-geïnterneerden die lichamelijke schade hebben ondervonden van hun gevangenschap.) „Nederland heeft de hoogte daarvan gebaseerd op ons inkomen van voor de oorlog. Ik krijg een vijfde van wat men in Nederland uitkeert. In Den Haag zegt men dat k Indonesië niet wil dat er meer wordt betaald omdat dat kwaad bloed zou zetten. Men zegt dat het niet te verkopen valt dat degenen die de oorlog hebben verloren — wij dus — beter kunnen leven dan de overwinnaars. Dat is allemaal flauwekul.” Dijkstra briest: „Er is geen land ter wereld dat zo met zijn oud-gedienden omgaat. In Den Haag gaat men gemakshalve voorbij aan het feit dat er hier geen sociale voorzieningen bestaan. Als we ziek worden, wat niet vreemd is gezien onze leeftijd, zijn we zwaar de pineut.” Boetje de Wijngaert heeft de afgelopen vijftig jaar in armoede doorgebracht. Hij zat als kind in een Jappenkamp en heeft een ernstig spraakgebrek opgelopen als gevolg van mishandeling door de kampbewakers. Een behoorlijke baan heeft hij daardoor nooit kunnen krijgen. Als los werkman scharrelde hij zijn kostje bij elkaar. De Wijngaert komt niet in aanmerking voor de WUV omdat hij pas in 1946 werd opgeroepen voor de militaire dienst. (Dijkstra: ‘Praten kon hij nauwelijks, maar hij mocht wel Majesteits wapenrok dragen.’) De Wijngaert deed mee aan de politionele acties. In 1950 werd hij voor de keuze gesteld: overgaan in het Indonesische leger of naar Nederland. De eerste mogelijkheid wees hij van de hand. „Mijn broer was al eerder naar Nederland gegaan en was daar soldaat. Ik wilde niet de kans lopen ooit tegen hem te moeten vechten”, hakkelt hij. Naar Nederland wilde De Wijngaert niet want hij moest zorgen voor zijn zusje dat haar man had verloren en in Indonesië moest blijven. Bij zijn pogingen om een uitkering krachtens de Wet uitkeringen burger oorlogsslachtoffer? (WUBO) te krijgen stuitte hij op een onwaarachtige blokkade. „In heel Medan was er maar één man die van Den Haag een aanvraagformulier voor de WUBO had ontvangen. Ik heb zijn formulier gekopieerd en opgestuurd naar Den Haag.” Na lange tijd kreeg De Wijngaert een brief terug. Hij geloofde zijn ogen niet toen hij las ‘dat zijn aanvraag voor een aanvraagformulier’ voor de WUBO in goede orde was ontvangen. De anderen die het absurde verhaal kennen stikken bijkans van de lach. De Wijngaert wordt erdoor van de wijs gebracht, maar Dijkstra schiet hem te hulp. „Vervolgens hoorde of ontving De Wijngaert lange tijd niets. Toen hij uiteindelijk weer eens informeerde schreef men hem dat er nooit aanvragen worden opgestuurd, tenzij daar nadrukkelijk om wordt gevraagd.” „Tja, misschien wacht men in Den Haag net zo lang tot we dood zijn”, zegt Ronald Bodamer. Voor het zover is wil hij graag nog een paar jaar genieten van het leven.” In Nederland. Bodamer verhuisde in 1936 vanuit ■Medan met zijn ouders naar Hilversum. Hij werd in de oorlog in Duitsland te werk gesteld. In 1948 ging hij als dienstplichtige naar Indonesië waar hij meedeed aan de tweede politionele actie. „Ik bleef hangen aan een meisje uit Sumatra en onder druk van haar familie en de Nederlandse regering ben ik Indonesiër geworden.” Daarvan heeft hij spijt tot op de dag van vandaag. „Overal werd ik gezien als die Hollander. Het werd me onmogelijk gemaakt goede huisvesting te vinden of carrière te maken. Thuis voel ik me buitengesloten, want de familie van mijn vrouw spreekt Karonees (een Batak-taal). Dat versta ik niet. „De verantwoordelijkheid voor de opvoeding van mijn kinderen hield me overeind. Nu die allemaal het huis uit zijn, is er niets dat me bindt en wil ik naar Nederland. Mijn vrouw niet, maar ze vindt het niet erg als ik ga. Mijn familie in Nederland is boos op mij en zegt: je wilt je gezin in de steek laten.” Bodamer schudt het hoofd: „Ze hebben makkelijk praten, ik heb geen vaste inkomsten, geen pensioen of zo, want ik ben nooit in overheidsdienst geweest. Los daarvan hebben we hier tijden meegemaakt, waarin het niet prettig was van Nederlandse, afkomst te zijn.” Hij VERTELT OVER de re bellie van 1958 in Medan tegen de centrale regering van Soekamo in Jakarta. „Alle Nederlandse bedrijven werden genationaliseerd, ook de Handelsvereniging Amsterdam waar ik werkte. Dat maakte mijn toekomst onzeker. De rebellen op Sumatra vonden dat Soekamo zich te veel liet leiden door de communisten en kwamen in opstand. Intussen kreeg ik van Jakarta opdracht in verband met de nationalisatie de overdracht van de administratie van mijn bedrijf te verzorgen. Onder'de werknemers bevonden zich nogal wat rebellen. Ik zat tussen twee vuren en werd door beide partijen bedreigd.” De centrale regering onderdrukte de opstand met harde hand. Bodamer: „De opstandige werknemers werden meegenomen naar de rivier en geëxecuteerd. Wekenlang dreven er lijken in het water.” Bob Smit (53) heeft z’n eigen herinneringen aan die roerige tijden: „Het was 6 maart 1958. Mijn zus zou de volgende dag trouwen. De avond ervoor droomde ze dat ze een briljanten ring had die plotseling in duizenden stukjes uiteenviel. Dat is een slecht voorteken, zei mijn moeder. De volgende dag stonden de pantserwagens van het leger dat was geland op de Medanese luchthaven Polonia voor de deur. Man, wat was ik bang.” Dijkstra herinnert zich dat de opstandelingen, onder wie ook militairen uit Medan, de bank beroofden. „Ze gaven jongeren 20.000 rupiah als ze wilden vechten tegen de regeringstroepen. In de strijd hadden die jongens geen schijn van kans, ze werden bij bosjes neergeknald.” Zeven jaar later verkeerde Medan weer in staat van oorlog. „Na de communistische couppoging tegen Soekamo trokken bataljons van de Brawijaya- en Diponegoro-divisie naar de stad om communisten en met hen sympathiserende in Medan gelegerde militairen te ontwapenen. Duizenden zijn er toen vermoord”, aldus Smit. Hij is in Indonesië gebleven omdat zijn ouders niet weg wilden. „Ik heb voor hen gezorgd toen ze ziek werden, de andere kinderen vertrokken.” Na de dood van zijn ouders werkte hij lange tijd als chauffeur van een Nederlands echtpaar. Nu is hij al 3,5 jaar werkloos. „Met een Nederlandse naam heb je weinig kans op een baan, zeker bij de overheid. Ik zou graag vertrekken, maar heb geen papieren.” Smit heeft niet in een Jappenkamp heeft gezeten. Hij was te jong voor de dienstplicht en heeft geen recht op welke Nederlandse uitkering ook. Hij leeft van de bijdragen van zijn volwassen zonen die hem ‘af en toe wat toeschuiven’ en pakt alle losse baantjes aan. Soms gaat hij met een kameraad naar het bos om te jagen op wilde varkens. „Van de verkoop van het vlees kan ik weer een dagje vooruit. Maar het aantal varkens neemt af. Er komen steeds meer rijkelui die voor de sport jagen. Zij rijden in terreinwagens en huren drijvers. Nog even en dan is dat ons ook afgenomen.” Tempo doeloe, toen Indonesië nog Nederlands Indië was: een groepje Batak-vrouwen, gefotografeerd in 1900. Beeld uit een foto-album met houten kaft uit het bezit van de familie Coebergh. Zulke boeken vol herinneringen worden in veel families, die banden hadden met Nederlands Indië, gekoesterd. Indo’s in Medan: Bob Smit, Emiel du Celliée Muller, Jimmy Jansen, Boetje de Wijngaert en Frans Hall (v.l.n.r.J.

English translation

=== [Page 1] === On 17 August 1945 the Republic of Indonesia was proclaimed. Soekarno became president. The Netherlands did not recognise the colony's new status and tried by military intervention in 1947 and '48, the so-called police actions, to restore authority. Under pressure from the US the Netherlands transferred sovereignty on 27 December 1949, with the exception of New Guinea. That island was annexed by Indonesia in 1962. From 21 to 31 August Queen Beatrix, Prince Claus and Prince Willem-Alexander will make a state visit to Indonesia. Today the first of a series of stories about the Republic of Indonesia to be published in this newspaper in the coming weeks. By André Beijen Medan - Harry Cologne is an Indisch Dutchman, but he does not speak Dutch. In Indonesian he is barely intelligible. He emits nasal sounds that can be deciphered only after much repetition. Beside his left eyebrow there is a growth, his teeth have rotted away and he walks barefoot. He wears a faded green shirt that falls over dirty long trousers and looks like a pauper. That is what he is. Cologne (47) has known better times. But that was long ago when as a child he played in the garden of the parental home in Medan (Sumatra). His father, a prison warder, was of mixed blood, as was his mother, a daughter from the marriage of Willem Maarten Westerman from Arnhem and a Javanese woman. The Indisch Dutch, also called Indos, modelled themselves in the pre-war colony on the Dutch elite. The same status as the white Dutchman was not theirs, but in the colonial class society the Indos stood above the native population. A position that would cost them dearly after Indonesia's independence. The Second World War put an end to the colonial dream and the full-blooded Dutch returned to the fatherland. The Indos faced the choice: stay and take Indonesian nationality (warga negara) or a one-way trip to the never-visited land of their white forefathers. They were not really welcome there. Already during the Round Table Conference in 1949 between the Netherlands and Indonesia, The Hague had assumed that most Indisch Dutch would (and must) choose Indonesian nationality. The cabinet had tuned its policy to that thought. It was feared that the Indos would have adjustment problems in the Netherlands. Moreover there was a practical objection: the housing shortage in the Netherlands, which was still struggling with the consequences of the war, was great. A great migration from the East was therefore not desirable. Politics misjudged the emotional bond of the Indos with the Kingdom. Applications for the passage rained in. The urgent recommendation of the Dutch authorities to opt for warga negara status found little hearing. Legal barriers too, whereby Indisch people who wanted to go to the Netherlands had to prove on the basis of — often untraceable — official documents that they were Dutch, did not produce the desired result for The Hague. Between 1945 and the end of the sixties more than 300,000 Indisch Dutch settled in our country. The parents of Harry Cologne from Medan initially chose to stay, but like most who had made the same decision, they later regretted it. The position of the Indos — who in the young republic were not infrequently regarded as the former henchmen of the white colonisers — deteriorated in the fifties, partly under the influence of the tense relations between the Netherlands and Indonesia over the New Guinea question. The Colognes missed the boat. Ignorance about the 'return arrangement to the Netherlands', aggravated by the bureaucratic red tape that had to be gone through, sealed their fate. Harry's parents died in poverty, without having given their children the opportunity to follow a proper school education. Harry now works as a handyman for a well-to-do family. His meagre income is supplemented with a monthly contribution from the Dutch foundation Halin (Help for Compatriots in Indonesia). Halin has compiled a list of needy Indos who receive a monthly payment of 55,000 to 75,000 rupiah (about 50 guilders). "The condition is that people must produce proof of their Dutch descent," says Dr Mariono, the Halin representative in Indonesia. The foundation keeps an office in a building of the Catholic church in Jakarta because it lacks a residence permit. Mariono says that 960 families are currently receiving help. "Those are our regular clients. In principle only people over sixty without any source of income qualify, not their children or grandchildren. But of course an exception is sometimes made." Halin also functions as a kind of post office. "Indisch families in the Netherlands often send money via us to relatives who stayed behind. We make sure it arrives at the right place. It is more advantageous to send money via Halin because the foundation gets the most favourable exchange rate from the bank," Mariono explains. The existence of the foundation is unknown to Willem Dijkstra (74). Boetje de Wijngaert (67) and Ronald Bodamer (67), all Indos who chose Indonesian citizenship, do not know Halin either. The three sit on the terrace in front of Jimmy Jansen's guesthouse in Medan. The Indisch community in the large port city numbers some sixty families. Jansen has no money worries thanks to his guesthouse, which is very popular with Dutch holidaymakers. That does not apply to his three Indisch friends, who have difficulty making ends meet. Per family they must get by on 200 guilders or less per month. The life story of the gradually growing company in front of Jansen's house has been determined by the war and by the Netherlands' violent attempts in the following years to hold back Indonesia's independence. "Looking back you could say that the Indos who stayed here after the war gambled wrongly," says Dijkstra in a manner that tolerates no contradiction. His heavy spectacle frame gives him a stern appearance. He is the undisputed authority in the company and perhaps therefore the target of good-natured jokes about his 'preference for young women' and his dark skin colour ('even for an Indo you are very black'). "We hoped to become a kind of intermediary for the Netherlands and Indonesia in the republic. The Netherlands-Indonesian Union gave us that hope." (In 1949 both countries confirmed a partnership within a Union with the Dutch queen at its head.) "The Union was an empty shell," says Dijkstra. "When Indonesia terminated the Union in 1956, we stood empty-handed." There were also personal reasons to stay. "Many Indos were married to Indonesian women. They naturally did not want to leave." Dijkstra, likewise married to an Indonesian, tried to make the best of it. He even converted to Islam. "Just call it 'chrislam'," his mates laugh. "As a Muslim you may have four wives and as a Christian you can drink alcohol and eat pork sate." THE Indos have a complicated relationship with the Netherlands. Their affection finds expression in the wish to settle there after all for a carefree evening of life. At the same time there is bitterness about Dutch indifference to the fate of the Indos left behind, who during the war and the turbulent post-war years fought in the name of the Kingdom against the Indonesian nationalists. They are critical above all of the way the Netherlands settles its 'financial debt'. Dijkstra: "We were in Japanese prisoner-of-war camps as Dutch soldiers and are entitled to a WUV benefit. (Act on benefits for victims of persecution to ex-internees who suffered physical damage from their imprisonment.) The Netherlands based the amount on our pre-war income. I get a fifth of what is paid out in the Netherlands. In The Hague they say that Indonesia does not want more to be paid because that would stir up bad blood. They say it cannot be sold that those who lost the war — that is, we — can live better than the winners. That is all nonsense." Dijkstra snorts: "There is no country in the world that treats its old servicemen like this. In The Hague they conveniently overlook the fact that no social provisions exist here. If we fall ill, which is not strange given our age, we are in serious trouble." Boetje de Wijngaert has spent the past fifty years in poverty. As a child he was in a Jap camp and suffered a serious speech impediment as a result of ill-treatment by the camp guards. He was therefore never able to get a proper job. As a casual labourer he scraped his living together. De Wijngaert does not qualify for the WUV because he was only called up for military service in 1946. (Dijkstra: 'He could hardly talk, but he was allowed to wear His Majesty's tunic.') De Wijngaert took part in the police actions. In 1950 he was faced with the choice: transfer to the Indonesian army or go to the Netherlands. The first possibility he rejected. "My brother had gone to the Netherlands earlier and was a soldier there. I did not want to run the risk of one day having to fight him," he stammers. He did not want to go to the Netherlands because he had to look after his little sister, who had lost her husband and had to stay in Indonesia. In his attempts to obtain a benefit under the Act on benefits for civilian war victims (WUBO) he ran into an absurd blockade. "In the whole of Medan there was only one man who had received an application form for the WUBO from The Hague. I copied his form and sent it to The Hague." After a long time De Wijngaert got a letter back. He could not believe his eyes when he read 'that his application for an application form' for the WUBO had been duly received. The others who know the absurd story nearly choke with laughter. De Wijngaert is thrown off balance by it, but Dijkstra comes to his aid. "Subsequently De Wijngaert heard or received nothing for a long time. When he finally enquired again they wrote to him that application forms are never sent out unless they are expressly requested." "Well, perhaps they are waiting in The Hague just until we are dead," says Ronald Bodamer. Before that happens he would like to enjoy life a few more years — in the Netherlands. Bodamer moved in 1936 from Medan with his parents to Hilversum. In the war he was put to work in Germany. In 1948 he went as a conscript to Indonesia, where he took part in the second police action. "I got stuck on a girl from Sumatra and under pressure from her family and the Dutch government I became Indonesian." He regrets this to this day. "Everywhere I was seen as that Hollander. I was made unable to find good housing or make a career. At home I feel excluded, because my wife's family speaks Karo (a Batak language). I don't understand it. The responsibility for my children's upbringing kept me upright. Now that they have all left home there is nothing that binds me and I want to go to the Netherlands. My wife does not, but she doesn't mind if I go. My family in the Netherlands is angry with me and says: you want to abandon your family." Bodamer shakes his head: "They have it easy to talk, I have no fixed income, no pension or anything, because I have never been in government service. Apart from that, we lived through times here in which it was not pleasant to be of Dutch descent." He tells about the rebellion of 1958 in Medan against Soekarno's central government in Jakarta. "All Dutch companies were nationalised, also the Handelsvereniging Amsterdam where I worked. That made my future uncertain. The rebels in Sumatra thought that Soekarno let himself be guided too much by the communists and rose in revolt. Meanwhile I was ordered by Jakarta, in connection with the nationalisation, to arrange the handover of my company's administration. Among the employees were quite a few rebels. I was between two fires and was threatened by both sides." The central government suppressed the revolt with a heavy hand. Bodamer: "The rebellious employees were taken to the river and executed. For weeks corpses floated in the water." Bob Smit (53) has his own memories of those turbulent times: "It was 6 March 1958. My sister was to marry the next day. The evening before she dreamed that she had a diamond ring that suddenly fell into thousands of pieces. That is a bad omen, my mother said. The next day the armoured cars of the army, which had landed at Medan's Polonia airport, stood at the door. Man, was I scared." Dijkstra remembers that the insurgents, among them also soldiers from Medan, robbed the bank. "They gave young people 20,000 rupiah if they wanted to fight against the government troops. In the fighting those boys did not have a ghost of a chance; they were gunned down in droves." Seven years later Medan was again in a state of war. "After the communist coup attempt against Soekarno, battalions of the Brawijaya and Diponegoro divisions moved to the city to disarm communists and soldiers stationed in Medan who sympathised with them. Thousands were murdered then," says Smit. He stayed in Indonesia because his parents did not want to leave. "I looked after them when they became ill, the other children left." After the death of his parents he worked for a long time as chauffeur for a Dutch couple. Now he has been unemployed for 3.5 years. "With a Dutch name you have little chance of a job, certainly with the government. I would like to leave, but I have no papers." Smit was not in a Jap camp. He was too young for conscription and is not entitled to any Dutch benefit. He lives on contributions from his adult sons, who 'slip him something now and then', and takes on all odd jobs. Sometimes he goes to the forest with a comrade to hunt wild pigs. "From the sale of the meat I can get ahead another day. But the number of pigs is declining. More and more rich people come who hunt for sport. They drive in off-road vehicles and hire beaters. Soon that will be taken from us too." Caption: Tempo doeloe, when Indonesia was still the Netherlands Indies: a group of Batak women, photographed in 1900. Image from a photo album with wooden cover from the possession of the Coebergh family. Such books full of memories are cherished in many families that had ties with the Netherlands Indies. Caption: Indos in Medan: Bob Smit, Emiel du Celliée Muller, Jimmy Jansen, Boetje de Wijngaert and Frans Hall (left to right).