Gerwani Archive
Researcher log in

← GA-00493

Achtergronden van de rebellie in Djakarta (Slot) (Latar belakang pemberontakan di Jakarta, bagian akhir)

Cleaned OCR text (Good (0.914); proof-reading: no (script-cleaned only)). Old Indonesian spelling has been converted to modern EYD. [Unreadable] marks text that could not be recovered. English translation below.

Text

VI ■ a K allo politieke groeperingen in Indonesië Is de communistische ja de PKI, de actiefste en best ^remiseerde. Haar leider, Aidit, is Cn geduldig en intelligent man, die aor infiltratie, inkapseling, overreding y met de hardste middelen zijn tegenInders langzaam maar zeker tracht elimineren. Hij is ervan overtuigd, t de tqd in zijn voordeel werkt, en misschien heeft hij daarin gelijk. Het, wel duidelijk dat Aidit een bondenoot van Peking is. De rivaal die de communisten de „ruigste moeilijkheden bezorgt is de PUI de Partij van de Indonesische Nationalisten. De aanhang van de PNI is steeds verder geslonken en wat overbleef is uitgesproken links — een gevolg van het aanpassingsproces dat de putjj heeft doorgemaakt. De partijleiding heeft namelijk de remedie tegen bet verlies van aanhang voortdurend gezocht in radicalisering van de organisatie. Toen bijvoorbeeld de jeugdbeweging van de PNI dreigde te verlopen, werd deze gereorganiseerd en kreeg een nieuwe naam. In de loop mi dit proces slaagden communisten m htm bondgenoten erin, op ruime rhaal in de leiding te infiltreren. Dezelfde procedure werd gevolgd bij wüeuwing van de vrouwenbeweging '.van de vakvereniging van de PNI. li het ogenblik kan men met zeker|i zeggen, dat alle frontorganisaties de PNI door communisten sterk len beïnvloed. Daarbij komt dat de gematigde tegenstanders van de PKI binnen de nationalistische partij op het ogenblik vrijwel zijn uitgeschakeld. Op drie augustus van dit jaar kwam het tussen beide vleugels van de PNI tot een openlijk conflict, waarbij de gematigde figuren in de partijleiding aan het kortste eind trokken en werden geschorst. Een duidelijke overwinning voor Aidit. M EER moeite kost het de PKI, de traditionele mohammedaanse invloeden in de dessa's de baas te worden. Overreding en infiltratie worden door de leiding van de PKI op het ogenblik niet meer als doeltreffende middelen beschouwd. Zonder verdere plichtplegingen is de PKI een radicale campagne begonnen onder de leuze,,PKI mengganjang setan desa" (De PKI vernietigt de dessa-duivel). Met de dessaduivel wordt de Ulama bedoeld, de mohammedaanse dorpsgeestelijke, wiens invloed enigszins te vergelijken valt met die van een dorpspastoor in het diepe zuiden van Nederland. Hij ontleent zijn gezag aan dé godsdienst en heeft daardoor ook op het politieke denken van de dorpsgemeenschap een zeer grote invloed. Daarbij komt dat de Ulama meestal de rijkste man van de dessa is, de meeste grond en daardoor het meeste voedsel heeft, leningen verstrekt, enz. Voor de PKI is hij het schoolvoorbeeld van de bourgeois, de uitbuiter, de woekeraar en de kapitalist. En bovendien is de Ulama het centrum van de behoudende krachten buiten de grote steden. Daarom is het geen wonder dat de communisten alle mogelijke moeite hebben gedaan om zijn macht te breken. Zij hebben dit o.a. geprobeerd door middel van de wetten op oogstverdeling en landhervorming, waarbij bepaald werd dat het maximum grondbezit mag bestaan uit vijf hectare natte of zeven hectare droge rijstvelden — terwijl het voor een Ulama geen zeldzaamheid is, dertig tot veertig hectare te bezitten. Deze hervormingswetten hebben overigens nog geen groot resultaat gehad. De meeste Ulama's hebben hun land onder eigen beheer weten te houden door het onder hun kinderen te verdelen en tot dusver hebben zij hun macht grotendeels weten te bewaren. Maar vooral op den duur zal op het platteland de tijd in het voordeel van de communisten werken. Het orthodoxe mohammedanisme past zich moeilijk aan modernere levensomstandigheden aan, waardoor het op lange termijn vermoedelijk aan invloed zal verliezen. HET tegenwicht dat wellicht op den duur de belangrijkste factor bij de inperking van de macht van de PKI zal blijken te zijn wordt, voor zover men kan zien, gevormd door een combinatie van radicale intellectuelen met het leger. Oorspronkelijk speelde hier de Moerba-partrj, een onafhankelijke marxistisch georiënteerde organisatie, een rol. Maar inmiddels heeft op bevel van Soekarno de Moerba haar activiteiten gestaakt. De Badan Pendukung Soekarnoïsme was eveneens een poging om tot een combinatie van Indonesisch nationalisme en een van Moskou en Peking onafhankelijk marxisme te komen. De geestelijke vader van dit Soekarnoïsme is Sajuti Melik, oorspronkelijk een vurig communist, die zich op grond van zijn ervaring van zijn partij afkeerde. De vrouw van Melik, dra. Trimurti, die voorzitster is van een grote, links georiënteerde vrouwenorganisatie, had een paar jaar in Joegoslavië en Tsjechoslowakije doorgebracht, en vooral in eerstgenoemd land was zij onder de indruk gekomen van de pogingen om tot een nationale vorm van communisme te komen. Het echtpaar Melik werkte het zgn. Soekarnoïsme in een aantal geschriften nader uit en na verloop van tijd werd de beweging zo omvangrijk, dat de PKI er een bedreiging in begon te zien. Verdachtmakingen volgden en o.a. werd de BPI ervan beschuldigd, een instrument van de Amerikaanse geheime dienst te zijn. De campagne, ook van andere zijde tegen de BPI gevoerd, had succes: in december van het vorig jaar werd de beweging tegelijk met 21 geestverwante kranten verboden. VOOR de anti -communistische krachten betekende dit een zware slagOp politiek terrein was na het verbod van de BPI in feite geen organisatie meer aanwezig, die zich met e "ige kans op succes op den duur tegen het zich uitbreidende communisme zou kunnen verzetten. Maar nu bleek, dat ook het leger een politieke rol zou kunnen spelen. De belangrijkste krant van de BPI, de Berita Indonesia, werd door het leger overgenomen en verscheen daarna onder de naam Berita Yudha. Ook andere verboden dagbladen kwamen in handen van het leger en in augustus van dit jaar verscheen in plaats van de 21 verboden bladen weer een gelijk aantal nieuwe kranten, waarvan het leger meer dan de helft onder zijn hoede had. Inmiddels heeft het leger ook een eigen informatiecentrum georganiseerd dat naast het door communisten gedeeltelijk geïnfiltreerde Antara als binnenlands persbureau werkt, waarbij gebruikt wordt gemaakt van legerrapporten. Al vóór de putsch van luitenantkolonel Oentoeng had het leger dus een zich langzaam maar zeker uitbreidende politieke invloed gekregen, waarbij achter de schermen generaal Nasoetion vermoedelijk wel de leidende figuur is geweest. Pogingen om hem van zijn troepen te isoleren door op posten onder hem militairen te benoemen die met met hem sympathiseerden, zijn goeddeels mislukt. In plaats daarvan schijnt Nasoetion zich vooral dit jaar steeds meer aanhang te hebben verworven. Ook wat betreft zijn relaties tot het buitenland heeft de generaal zijn positie verstevigd. In feite heeft hij geprofiteerd van het conflict tussen Moskou en Peking. De Russen zien in de Indonesische strijdkrachten een tegenwicht tegen de pro-Chinese lijn van Aidit. Leger, luchtmacht en vloot van Indonesië zijn voor een groot deel met Russisch materiaal uitgerust en voor onderhoud en onderdelen op toevoer uit de Sowjet-Unie aangewezen. Tegenover Aidit is Nasoetion in zekere zin" de vertrouwde man voor de Russen, hetgeen duidelijk bleek uit de grootscheepse ontvangst die Nasoetion in mei van dit jaar in Moskou ten deel viel. Alleen door de goede relatie tussen Nasoetion en Moskou kan de uitrusting van de Indonesische strijdkrachten op redelijk peil gehandhaafd blijven. VOOR zover men kan zien ■ kan zien is de worsteling om de macht in Djakarta in volle gang. In hoeverre Soekarno op het ogenblik nog zijn invloed kan aanwenden valt niet te voorzien. Maar wel staat vast, dat hij de krachtmeting, die hij door compromissen en uitstel van beslissingen heeft willen vermijden, nu niet heeft kunnen voorkomen, hetgeen op zichzelf op vermindering van zijn invloed wijst. De twee belangrijkste partijen, het leger en de communisten, hebben beide nog grote reserves en wellicht zal het nog maanden duren voor men kan beoordelen, in wiens voordeel de putsch van Oentoeng ten slotte gewerkt heeft. Maar op het ogenblik wijst alles erop, dat Aidit althans voorlopig de verliezer is. .De P»" s jft •' m wij moeten In, als jij niet.., steeds begint met. vrede leven en verdraagzaam zjjn..., ruzie maken!! "

English translation

=== [Page 1] === Backgrounds of the rebellion in Djakarta (Conclusion) OF all political groupings in Indonesia the communist one, the PKI, is the most active and best organised. Its leader, Aidit, is a patient and intelligent man who, by infiltration, encapsulation, persuasion and with the hardest means, tries slowly but surely to eliminate his opponents. He is convinced that time works in his favour, and perhaps he is right. It is quite clear that Aidit is an ally of Peking. The rival that causes the communists the roughest difficulties is the PNI, the Party of Indonesian Nationalists. The PNI's following has been shrinking steadily and what remained is distinctly left — a result of the process of adaptation the party has gone through. The party leadership has namely constantly sought the remedy for the loss of followers in radicalisation of the organisation. When, for example, the youth movement of the PNI threatened to dwindle, it was reorganised and given a new name. In the course of this process communists and their allies succeeded in infiltrating the leadership on a large scale. The same procedure was followed with the renewal of the women's movement and of the trade union of the PNI. At present one can say with certainty that all front organisations of the PNI are strongly influenced by communists. In addition the moderate opponents of the PKI within the nationalist party are at present virtually eliminated. On the third of August of this year an open conflict arose between the two wings of the PNI, in which the moderate figures in the party leadership got the worst of it and were suspended. A clear victory for Aidit. THE PKI has more trouble becoming master of the traditional Muslim influences in the desas [villages]. Persuasion and infiltration are at present no longer regarded by the PKI leadership as effective means. Without further ceremony the PKI has begun a radical campaign under the slogan "PKI mengganjang setan desa" (The PKI destroys the village devil). By the village devil is meant the Ulama, the Muslim village cleric, whose influence can be somewhat compared with that of a village priest in the deep south of the Netherlands. He derives his authority from religion and thereby also has a very great influence on the political thinking of the village community. In addition the Ulama is usually the richest man of the desa, has the most land and therefore the most food, grants loans, etc. For the PKI he is the textbook example of the bourgeois, the exploiter, the usurer and the capitalist. And moreover the Ulama is the centre of the conservative forces outside the big cities. It is therefore no wonder that the communists have taken every possible trouble to break his power. They have tried this among other things by means of the laws on crop division and land reform, in which it was laid down that the maximum landholding may consist of five hectares of wet or seven hectares of dry rice fields — whereas for an Ulama it is not rare to own thirty to forty hectares. These reform laws have, incidentally, not yet had great results. Most Ulamas have managed to keep their land under their own control by dividing it among their children and so far have managed to preserve their power largely. But especially in the long run time will work in the communists' favour in the countryside. Orthodox Islam adapts with difficulty to more modern living conditions, so that in the long term it will presumably lose influence. THE counterweight that may in the long run prove to be the most important factor in curbing the power of the PKI is, as far as one can see, formed by a combination of radical intellectuals with the army. Originally the Murba party, an independent Marxist-oriented organisation, played a role here. But in the meantime, on Soekarno's orders, the Murba has ceased its activities. The Badan Pendukung Soekarnoisme [BPS] was likewise an attempt to arrive at a combination of Indonesian nationalism and a Marxism independent of Moscow and Peking. The spiritual father of this Soekarnoism is Sajuti Melik, originally a fervent communist, who on the basis of his experience turned away from his party. Melik's wife, Mrs. Trimurti [S. K. Trimurti], who is chairwoman of a large, left-oriented women's organisation, had spent a few years in Yugoslavia and Czechoslovakia, and especially in the first-mentioned country she had been impressed by the attempts to arrive at a national form of communism. The Melik couple elaborated the so-called Soekarnoism in a number of writings and in the course of time the movement became so extensive that the PKI began to see a threat in it. Insinuations followed and among other things the BPI [BPS] was accused of being an instrument of the American secret service. The campaign, conducted also from other sides against the BPI, had success: in December of last year the movement was banned together with 21 like-minded newspapers. FOR the anti-communist forces this meant a heavy blow. On the political terrain, after the ban on the BPI, there was in fact no organisation left that could with any chance of success resist the expanding communism in the long run. But now it turned out that the army too could play a political role. The most important newspaper of the BPI, the Berita Indonesia, was taken over by the army and subsequently appeared under the name Berita Yudha. Other banned dailies too fell into the army's hands and in August of this year an equal number of new papers appeared in place of the 21 banned ones, of which the army had more than half under its wing. In the meantime the army has also organised its own information centre, which works as a domestic news agency alongside the Antara, partly infiltrated by communists, making use of army reports. Even before the putsch of Lieutenant-Colonel Oentoeng [Untung] the army had thus acquired a slowly but surely expanding political influence, in which behind the scenes General Nasoetion [Nasution] has presumably been the leading figure. Attempts to isolate him from his troops by appointing to posts under him soldiers who did not sympathise with him have largely failed. Instead Nasoetion seems, especially this year, to have acquired ever more following. Also as regards his relations with foreign countries the general has strengthened his position. In fact he has profited from the conflict between Moscow and Peking. The Russians see in the Indonesian armed forces a counterweight to Aidit's pro-Chinese line. Army, air force and navy of Indonesia are largely equipped with Russian material and depend for maintenance and spare parts on supplies from the Soviet Union. Vis-à-vis Aidit, Nasoetion is in a certain sense the trusted man for the Russians, which was clearly shown by the large-scale reception Nasoetion received in Moscow in May of this year. Only through the good relationship between Nasoetion and Moscow can the equipment of the Indonesian armed forces be maintained at a reasonable level. AS far as one can see, the struggle for power in Djakarta is in full swing. To what extent Soekarno can at present still use his influence cannot be foreseen. But it is certain that he has not been able to prevent the trial of strength which he wanted to avoid by compromises and postponement of decisions, which in itself points to a decline of his influence. The two most important parties, the army and the communists, both still have large reserves and it may perhaps take months before one can judge in whose favour Oentoeng's putsch has finally worked. But at present everything indicates that Aidit, at least for the time being, is the loser. Cartoon caption (partly legible): "We must live in peace and be tolerant..., if you don't... always start with... quarrelling!!"