Gerwani Archive
Researcher log in

← GA-01268

Achter het nieuws (Behind the news: Chinese in Indonesia)

Cleaned OCR text (Good (0.905); proof-reading: no (script-cleaned only)). Old Indonesian spelling has been converted to modern EYD. [Unreadable] marks text that could not be recovered. English translation below.

Text

KT aast de gebeurtenissen, die wereld- nieuws vormen, plegen zich ontwikkelingen te voltrekken, die even dramatisch en even belangrijk zijn, maar een wat slepender karakter hebben en daardoor op de achtergrond blijven. Een voorbeeld daarvan is de hetze in Indonesië tegen de Chinezen, die honderdduizenden mensen rechteloos, brodeloos en hulpeloos dreigt te maken. Er heeft ir Indonesië altijd een anti-Chinees sentiment onder de oppervlakte gesmeuld. Tijdens de Indonesische revolutie zijn talrijke massagraven met vermoorde Chinese mannen, vrouwen en kinderen gevuld. Maar in het algemeen schikten de Chinezen zich snel in de nieuwe situatie, waarvan zij der traditie getrouw het beste voor zichzelf trachtten te maken. Indonesische officieren en ambtenaren bleken bijzonder omkoopbaar te zijn en de Chinese handelaren hebben die zwakheid tot op het bot benut. De helft van de drie miljoen Chinezen in Indonesië is staatsburger geworden, oen kwart miljoen is Chinees burger en de rest staat als statenloos te boek. Deze groep is Tsjiang Kai Sjek toegedaan, maar doordat Indonesië het bewind op Formosa niet erkent, kwamen zij in de lucht te hangen. Voor de Indonesiërs bleven echter alle drie categorieën Chinezen en niets dan Chinezen en voor de regering in Peking bleven zij dat aanvankelijk ook: van oudsher erkende het Rijk van het Midden niet de aanvaarding van een andere nationaliteit door een Chinees. Tien jaar geleden toonde Peking zich plotseling bereid van het staatsburgerschap van Chinese Indonesiërs afstand te doen. Maar in hun bejegening en in hun eigen houding bracht dit weinig verandering. Een regeringsbesluit uit 1959, dat alle Chinese handelaren verplichtte in de steden te wonen en uitsluitend daar hun bedrijf uit te oefenen moest het platteland „Chinezenvrij" maken. De spaak lopende desahandel en de steeds meer naar Peking neigende koers van Soekarno maakten, dat dit besluit op grote schaal werd ontdoken. Intussen kregen steeds meer Chinezen de naam het communisme te steunen. Er waren rasechte communisten onder hen, maar vele handelaren hebben ongetwijfeld geld aan de Indonesische communisten gegeven om zich ook naar die zijde in te dekken. Volgens de Chinese ervaring is alles in de wereld te koop (behalve hun eigen vertrouwen en vriendschap) maar deze keer is die opvatting velen van hen noodlottig geworden. Bij de slachtoffers van de massamoord op communisten en wie men daarvan verdacht, waren talrijke Chinese gezinnen. In Medan zijn al duizenden Chinezen samengedreven in smerige kampen, waar zij beroofd en vernederd wachten op hun afvoer naar China. Peking heeft daar nu één schip voor beschikbaar gesteld. Op Borneo is een dergelijke actie begonnen; daar drijven de Indonesiërs tussen de drie- en vierhonderdduizend Chinezen bijeen in stadswijken, vanwaar zij naar China zullen worden vervoerd. De regering zou vooral het oog hebben op de Chinezen, die het staatsburgerschap hebben verworpen, maar het is de vraag of er in de praktijk veel verschil wordt gemaakt. Overigens waren de Chinese handelaren de vorige maand in Djakarta nog in staat het beproefde wapen van de rijstprijs te hanteren. In één dag kregen zij hem vijftig procent omhoog, waarop het militaire bewind haastig bescherming tegen anti-Chinese ijveraars beloofde. De situatie van de Chinezen verschilt van gebied tot gebied. In Oost- Java moeten zij buiten Soerabaja hun handelsbedrijven verkopen, hun geld laten bevriezen (om kapitaalvlucht te voorkomen) en borgsommen storten voor hun repatriëring. De handel ligt plat, alle Chinese scholen zijn gesloten, alle Chinese verenigingen ontbonden. Radio-Peking roept intussen om, dat de Chinezen in Indonesië zich verenigen om zich „tegen de fascistische wreedheden van de rechtse militaire kliek te verdedigen", wat dan weer olie is op het anti-Chinese vuur. De Chinezen, die Indonesische staatsburgers zijn geworden, hebben er gevraagd om de wegvoering van alle Peking getrouwe en statenloze Chinezen. Voor de laatsten moet het wat schemer in de duisternis zijn, dat het bewind op Formosa discreet met de regering in Djakarta over hun toekomst onderhandelt. Het juk van de Chinezen is te vergelijken met dat, waaronder de Joden in Oost- en Midden-Europa en de Armeniërs onder de Turken hebben gezucht, en waar de Syriërs en Cyprioten in deze en de Indiërs en Pakistani zich in gene Afrikaanse landen onder bukken. In Malakka vormen de Chinezen een bedreigde helft van de bevolking, in Burma en de Philippijnen leven zij onder constante druk en alleen in Thailand werken zij systematisch aan huil assimilatie. Maar dat is onder de Siamezen eenvoudiger dan In Indonesië, waai de uiterlijke Chinese kenmerken zich ook na generaties van gemengde huwelijken hardnekkig handhaven en waar de Chinezen in meerderheid, ook als zij Indonesische vrouwen of moeders hebben, nooit veel voor een opgaan in de Indonesische massa hebben gevoeld. j.

English translation

=== [Page 1] === Behind the news Besides the events that make world news, developments tend to take place that are just as dramatic and just as important, but have a somewhat more protracted character and therefore remain in the background. An example is the witch-hunt in Indonesia against the Chinese, which threatens to make hundreds of thousands of people rightless, breadless and helpless. In Indonesia an anti-Chinese sentiment has always smouldered beneath the surface. During the Indonesian revolution numerous mass graves were filled with murdered Chinese men, women and children. But in general the Chinese adapted quickly to the new situation, of which, true to tradition, they tried to make the best for themselves. Indonesian officers and officials turned out to be particularly corruptible and the Chinese traders exploited that weakness to the bone. Half of the three million Chinese in Indonesia have become citizens, a quarter million are Chinese citizens and the rest are registered as stateless. This group is attached to Chiang Kai-shek, but because Indonesia does not recognise the regime on Formosa, they were left hanging in the air. For the Indonesians, however, all three categories of Chinese remained Chinese and nothing but Chinese, and for the government in Peking they initially remained that too: since ancient times the Middle Kingdom did not recognise the acceptance of another nationality by a Chinese. Ten years ago Peking suddenly showed itself prepared to give up the citizenship of Chinese Indonesians. But in their treatment and in their own attitude this changed little. A government decision of 1959 which obliged all Chinese traders to live in the cities and to practise their business exclusively there was meant to make the countryside "Chinese-free". The faltering village trade and Soekarno's course, leaning ever more towards Peking, meant that this decision was evaded on a large scale. Meanwhile more and more Chinese acquired the name of supporting communism. There were genuine communists among them, but many traders undoubtedly gave money to the Indonesian communists in order to cover themselves on that side as well. According to Chinese experience everything in the world is for sale (except their own trust and friendship), but this time that view has proved fatal to many of them. Among the victims of the mass murder of communists and those suspected of being so were numerous Chinese families. In Medan thousands of Chinese have already been rounded up in filthy camps, where, robbed and humiliated, they await their removal to China. Peking has now made one ship available for it. In Borneo a similar action has begun; there the Indonesians are rounding up between three and four hundred thousand Chinese in town districts, from where they will be transported to China. The government would have its eye especially on the Chinese who have rejected citizenship, but it is the question whether in practice much distinction is made. Incidentally, last month in Djakarta the Chinese traders were still able to wield the tried weapon of the rice price. In one day they pushed it up by fifty percent, whereupon the military regime hastily promised protection against anti-Chinese zealots. The situation of the Chinese differs from region to region. In East Java they must, outside Surabaya, sell their trading businesses, have their money frozen (to prevent capital flight) and deposit bonds for their repatriation. Trade is flat, all Chinese schools are closed, all Chinese associations dissolved. Radio Peking meanwhile calls on the Chinese in Indonesia to unite to "defend themselves against the fascist atrocities of the rightist military clique", which in turn is oil on the anti-Chinese fire. The Chinese who have become Indonesian citizens have there requested the removal of all stateless Chinese loyal to Peking. For the latter it must be somewhat dim in the darkness that the regime on Formosa is discreetly negotiating with the government in Djakarta about their future. The yoke of the Chinese can be compared with that under which the Jews in Eastern and Central Europe and the Armenians under the Turks have sighed, and under which the Syrians and Cypriots in this [region] and the Indians and Pakistanis in certain African countries bow. In Malaya the Chinese form a threatened half of the population, in Burma and the Philippines they live under constant pressure and only in Thailand do they work systematically at their assimilation. But that is simpler among the Siamese than in Indonesia, where the outward Chinese characteristics persist stubbornly even after generations of mixed marriages and where the Chinese in the majority, even if they have Indonesian wives or mothers, have never felt much for merging into the Indonesian mass.