Captain Cook met vreemd stille kinderen: Het Hollandse huis, een kille uitgestorven haven (Captain Cook with strangely quiet children)
Cleaned OCR text (Fair (0.847); proof-reading: no (script-cleaned only)). Old Indonesian spelling has been converted to modern EYD. [Unreadable] marks text that could not be recovered. English translation below.
Text
„Wij maken ons geen illusies” (Vaneen verslaggever) Stralend van licht schoof de blanke Captain Cook zondagavond acht uur de grote sluis van IJmuiden binnen. De kou was nijpend maar op alle dekken stonden de passagiers zwijgend samengedromd: kleine donkere kinderen met feestmutsen op en vele bejaarden. Er klonk geen gejuich. Wel werden er van de wal namen geroepen. Soms klonk er een antwoord. Een dansende figuur maakte zich los uit de stille menigte. Alle ogen vestigden zich op de gelukkifen, die een familielid hadden ontdekt. Ü kwamen thuis; voor de anderen was het Hollandse huis een uitgestorven, kille 'raven met op de achtergrond de hoog oplaaiende vlammen van de Hoogovens. Toen de loopplank was uitgeschoven werd onmiddellijk een brancard naar buiten gedragen. Het was een ernstige patiënt, mevr. J. C. Heylvan Notman, die voor een spoedoperatie naar het marine-hospitaal in Overveen werd vervoerd. Aan boord brak de laatste nacht aan voor de duizend vluchtelingen uit Indonesië. Het was er tropisch heet. Donkere vrouwen schuifelden op sandalen door de smalle gangen. Zij groetten de eerste Nederlanders, die aan boord kwamen, met een bescheiden hoofdknik. De attente posterijen hadden ervoor gezorgd dat er onmiddellijk post aan boord kwam. De gelukkigen spelden de brieven opgewonden uit. „Wij maken ons geen illusies”, zei ons de 48-jarige planter J. J. Middelaer, „het zal hier moeilijk gaan. Maar waarom moeten wij nu meteen weer naar een kamp. Is die Jappentijd niet erg genoeg geweest”. Het kamp Budel, waar 800 passagiers hun eerste onderdak zullen vinden, heeft een slechte klank op het schip. Er gaan hardnekkige geruchten dat het een vies, afgedankt legeronderdak is, ver van de grote steden. Wanneer wij vertellen dat het een modelkamp is met voortreffelijke voorzieningen, tekent zich de opluchting op alle gezichten. De voorlichtingsambtenaren aan boord zijn met onzet zeer voorzichtig geweest in hun beloften Nu men van buiten de ware toestand verneemt gaat het verhaal snel van mond tot mond. Elk bencht over de toestand in Nederland wordt met gretigheid aanhoord. Men toont ons een knipsel uiteen krant met het bericht over de klacht van minister Klompé. Het is duidelijk dat het merendeel van de evacué’s de toekomst niet rooskleurig inziet. Een schip vol gebroken levens, vol mensen die tegen hun wil bekneld zijn geraakt in het raderwerk der geschiedenis. De enige optimist Planter Keijzer (34 jaar, 6 kinderen) rookt opgewekt een sigaret. „In Indonesië is er voor ons geen plaats meer. Maar ik kom heus wel ergens anders aan de slag”. Hij is de enige optimist, die wij ontmoeten. De meesten zijn als planter Middelaer, die er 29 tropenjaren op heeft zitten. Keer op keer waren er dreigende berichten inde bladen verschenen, maar in het Bantamse, waar hij de manager was van de rubberplantage Bantar Djaja was de stemming voortreffelijk. Het plaatselijk bestuur verleende alle medewerking. Moeilijkheden waren er niet en de plantages, die na 1949 ten koste van veel inspanning opnieuw in cultuur waren gebracht, leverden weer goede oogsten op. Tot 10 december alle Nederlandse ondernemingen door de regering werden overgenomen. „Het is maar beter dat u naar Nederland teruggaat”, werd de Nederlanders medegedeeld, „uw taak is hier afgelopen”. Overal in deze streek ging de overdracht bijna onwaarschijnlijk rustig en beschaafd. Waarom men dan zo snel de boot ha genomen? Een andere planter karakteriseert de situatie duidelijk. „Door de straten van Bandoeng reden dagen lang auto’s van de communistische vakbond, die de bevolking ophitste om de Nederlanders te doden. Wij voelden dat dit op een verschrikkelijke zou uitdraien als wij niet verdwenen’.
Dit verhaal hoort men keer op keer. De bevolking as rustig, de samenwerking goed, tot de raddraaiers hun kans kregen. Aan boord bevindt zich een groep bejaarde vrouwen. Zjj bewoonden het bejaardentehuis van de vereniging Roemer Visscher in Djakarta. Tijdens de terreur werd de verzorging op allerlei kleinzielige manieren gehinderd. Er bleef hen geen andere keus over dan de boot te nemen. Twee zijn er onderweg overleden, de 75-jarige weduwe E. C. van Dijk-Struben en de 69-jarige weduwe M. Prins-Chatelain. „Warga negaras” De uitvaart van de weduwe Prins geschiedde door pater Niessen. Na jaar verblijf op Tava keert hij voor het eerst op verlof naar Nederland terug. Hij hoeft zich geen zorg te maken over zijn re-entry-permit, want hij heeft het Indonesisch staatsburgerschap aangenomen. Er zijn meer „warga negaras” aan boord, maar hun ervaringen als Indonesisch staatsburger zijn weinig opwekkend. De familie Charpentier heeft, ondanks het staatsburgerschap Indonesië noodgedwongen verlaten omdat zij evenzeer uit de ambten werd gestoten. Hoewel Nederlander van afkomst zullen zjj zich hier bij de vreemdelingenpolitie moeten melden. Overal kan men deze ontmoedigende verhalen over' de geleidelijke uitstoting van de Nederlanders horen. De heer Bouwmeester, oud-douanebeambte en KNIL-sergeant, had een vervoersonderneming opgebouwd met vijftig man personeel. Hij heeft alles moeten achterlaten. Maar wie deze energieke Indische Nederlander heeft gesproken, maakt er zich geen zorgen over dat hjj ook onder de koele zon van de lage landen zijn weg wel zal vinden. „Hoe is de stemming onder de Indische Nederlanders, die nog nooit in Nederland zijn geweest”, vragen wij mevrouw C. van Coeverden-van Gelder, die als maatschappelijk werkster aan boord de moeilijke taak heeft gehad, de evacué’s op hun nieuwe leven voor te bereiden. „Zij kunnen er zich geen enkele voorstelling van maken” is het antwoord. „Zij aanvaarden alles wat hun wordt verteld, maar er zal veel inspanning nodig zijn om hen op dreef te helpen. Het beste is om hen, naar aard en ontwikkeling, ’ i kleine groepen bijeen te brengen. De verschillen zijn groot. Hoewel de gemeenschapsgeest aan boord voortreffelijk was zag men toch reeds duidelijk de groepen zich aftekenen. Er zijn heel trieste gevallen van volbloed Indonesische vrouwen, weduwen van Nederlanders, die nu naar Nederland komen. Ook voor hen was er geen plaats in hun eigen land”. Hoewel er iiO kinderen aan boord zijn hoort men geen gerucht. Zij lopen, de meesten nog in »iun luchtige tropenkleding, zachtjes door de gangen. Het schijnt lat de opeenvolging van vreemde gebeurtenissen hen stil en teruggetrokken heeft gemaakt. Men hoort zelfs geen gehuil. Ook de kleine Angenissa van Eberdingen, die 13 januari aan boord is geboren, houdt zich stil in haar geïmproviseerde couveuse. En deze stilte was het, die ons het meest benauwde. Na het aanhoren van al de verhalen over de gebroken levens, de verscheurde gezinnen, de verdwenen bezittingen bleef toch als de meest trieste herinnering de stilte van de kinderen over. Moge de ontvangst van deze mensen zo zijn dat de kinderen spoedig weer zullen ravotten en stout zijn, omdat ze een huis hebben gevonden zonder vrees.
English translation
=== [Page 1] ===
"We have no illusions" (From a reporter) Radiant with light, the white Captain Cook slid into the large lock at IJmuiden on Sunday evening at eight o'clock. The cold was biting, but on all the decks the passengers stood huddled together in silence: small dark children wearing party hats and many elderly people. There was no cheering. Names were called from the quay. Sometimes an answer came back. A dancing figure broke loose from the silent crowd. All eyes turned to the lucky ones who had spotted a relative. [Some] were coming home; for the others the Dutch house was a deserted, cold [haven], with the high-leaping flames of the Hoogovens [blast furnaces] in the background. When the gangway had been pushed out, a stretcher was carried off immediately. It was a seriously ill patient, Mrs. J. C. Heylvan Notman, who was taken to the naval hospital in Overveen for an emergency operation. On board the last night began for the thousand refugees from Indonesia. It was tropically hot. Dark women shuffled on sandals through the narrow corridors. They greeted the first Dutchmen who came aboard with a modest nod of the head. The attentive postal service had made sure mail came on board immediately. The lucky ones spelled out their letters excitedly. "We have no illusions," the 48-year-old planter J. J. Middelaer told us, "it will be hard here. But why must we go straight into a camp again? Wasn't the Japanese time bad enough?" The Budel camp, where 800 passengers will find their first shelter, has a bad reputation on the ship. Persistent rumours say it is a dirty, discarded army billet far from the big cities. When we tell them it is a model camp with excellent facilities, relief shows on every face. The information officers on board have been very cautious in their promises; now that the true situation is learned from outside, the story passes quickly from mouth to mouth. Every report on conditions in the Netherlands is listened to eagerly. We are shown a clipping from a newspaper with the report on Minister Klompé's complaint. It is clear that most of the evacuees do not view the future rosily. A ship full of broken lives, full of people who against their will have been caught in the machinery of history. The only optimist: planter Keijzer (34 years, 6 children) cheerfully smokes a cigarette. "In Indonesia there is no longer a place for us. But I will certainly find work somewhere else." He is the only optimist we meet. Most are like planter Middelaer, who has 29 tropical years behind him. Time and again threatening reports had appeared in the papers, but in the Bantam region, where he was manager of the Bantar Djaja rubber plantation, the mood was excellent. The local administration gave all cooperation. There were no difficulties and the plantations, which had been brought back into cultivation after 1949 at the cost of much effort, were again yielding good harvests. Until 10 December, when all Dutch enterprises were taken over by the government. "It is better that you go back to the Netherlands," the Dutch were told, "your task here is finished." Everywhere in this region the handover went almost unbelievably calmly and civilly. Why then did people take the boat so quickly? Another planter characterises the situation clearly. "For days, cars of the communist trade union drove through the streets of Bandung, inciting the population to kill the Dutch. We felt that this would end terribly if we did not disappear."
One hears this story again and again. The population was calm, cooperation good, until the troublemakers got their chance. On board is a group of elderly women. They lived in the old people's home of the Roemer Visscher association in Djakarta. During the terror their care was hindered in all kinds of petty ways. They were left no other choice than to take the boat. Two died on the way, the 75-year-old widow E. C. van Dijk-Struben and the 69-year-old widow M. Prins-Chatelain. "Warga negaras" [citizens] The funeral of the widow Prins was conducted by Father Niessen. After [many] years' stay on Java he is returning to the Netherlands on leave for the first time. He need not worry about his re-entry permit, because he has adopted Indonesian citizenship. There are more "warga negaras" on board, but their experiences as Indonesian citizens are not encouraging. The Charpentier family left Indonesia out of necessity despite their citizenship, because they too were pushed out of their posts. Although Dutch by origin, they will have to report here to the aliens police. Everywhere one can hear these discouraging stories about the gradual expulsion of the Dutch. Mr. Bouwmeester, a former customs official and KNIL sergeant, had built up a transport company with fifty staff. He had to leave everything behind. But whoever has spoken with this energetic Indo-Dutchman does not worry that he will find his way even under the cool sun of the low countries. "How is the mood among the Indo-Dutch who have never been in the Netherlands?" we ask Mrs. C. van Coeverden-van Gelder, who as a social worker on board has had the difficult task of preparing the evacuees for their new life. "They cannot form any idea of it at all," is the answer. "They accept everything they are told, but a great deal of effort will be needed to get them going. The best thing is to bring them together in small groups, according to nature and development. The differences are great. Although the community spirit on board was excellent, one could already clearly see the groups taking shape. There are very sad cases of full-blooded Indonesian women, widows of Dutchmen, who are now coming to the Netherlands. For them too there was no place in their own country." Although there are 110 children on board, one hears no noise. They walk, most still in their light tropical clothing, quietly through the corridors. It seems that the succession of strange events has made them quiet and withdrawn. One does not even hear crying. Little Angenissa van Eberdingen, born on board on 13 January, also keeps still in her improvised incubator. And it was this silence that oppressed us most. After hearing all the stories about broken lives, torn families, vanished possessions, the most sorrowful memory that remained was the silence of the children. May the reception of these people be such that the children will soon romp and be naughty again, because they have found a home without fear.