Oost is Oost en West is West (East is East and West is West)
Cleaned OCR text (Good (0.896); proof-reading: no (script-cleaned only)). Old Indonesian spelling has been converted to modern EYD. [Unreadable] marks text that could not be recovered. English translation below.
Text
door Rudy Kousbroek
— Wat is jullie godsdienst? vroeg de landmeter toen wij nog wat zaten na te tafelen, zijn jullie protestant of katholiek? Zoals, wel vaker in Indonesië stond ït voor het dilemma: de mensen behandelen als onmondige wezens die men maar beter niet kan confronteren met de complicaties van de buitenwereld, of eerlijk antwoorden met het risico hen te shockeren. Ik besloot tot het laatste. — Geen van beide, zei ik. Dit antwoord vond de landmeter zoals ik al verwacht had bevreemdend. Hijzelf was protestant, afkomstig uit de Minahasa en zijn baas, de ingenieur, was een mohammedaan uit Java. Ik denk dat de landmeter hoopte dat wij ook protestant waren; we hadden katholiek kunnen zijn, en dat zou hij dan misschien jammer hebben gevonden. Maar dit antwoord viel buiten zijn berekeningen. — Wat zijn jullie dan? vroeg hij. — Niets, zei ik. — Niets? Dat kan toch niet, je moet toch een geloof hebben? — Nee, zei ik, ik heb geen godsdienst. De landmeter keek ons beurtelings ongelovig aan. Als wij gezegd hadden geen namen te hebben zou hij het niet vreemder hebben gevonden. — U ook niet? vroeg hij aan R. R. bevestigde dat ook hij geen godsdienst had. De landmeter was zichtbaar ontsteld. We hadden iets onmogelijks gezegd en hij zocht waar de fout zat. Hadden wij hem niet begrepen? Had hij ons niet begrepen? Hielden wij hem voor de mal? De conversatie was tot dusver gevoerd in het Engels, van welke taal hij niet meer dan enkele rudimenten beheerste (en de ingenieur zelfs dat niet). Hij probeerde zijn vraag opnieuw te formuleren. — U hebt ons goed begrepen, zei ik in het Indonesisch, wij hebben geen enkel geloof: niet in God, niet in de Duivel, niet in bovennatuurlijke krachten, niets. In Europa is dat niet zoiets buitengewoons, er zijn daar veel mensen die geen geloof hebben. Nu, dat was iets dat de dominees in de Minahasa hem kennelijk nooit hadden verteld en de landmeter had er zichtbaar moeite mee. Intussen kwam ik in het daaropvolgende gesprek op mijn beurt in moeilijkheden: als kind heb ik vlot Maleis gesproken, maar niet over levensbeschouwelijke kwesties. In het kamp, en later toen ik probeerde een novelle van Pramoedia te vertalen, heb ik er nog wel het een en ander bijgeleerd, maar een gesprek over moeilijke en abstracte onderwerpen blijft voor mij een donkere jungle. Er komt bij dat
veel Indonesiërs die niet tot de oudere bovenlaag behoren van bepaalde Westerse opvattingen en omstandigheden werkelijk niet de vaagste voorstelling hebben, zodat men ongemerkt verstrikt raakt in kinderachtige voorbeelden en tekortschietende vergelijkingen, en juist als gevolg van pogingen de waarheid niet te vereenvoudigen uitkomt op een overdreven of kunstmatig standpunt. Sommige onderwerpen hebben daarbij de status van Evergreens, zoals de psychoanalyse, het feminisme, de homoseksualiteit en andere Westerse eigenaardigheden. Dat geldt trouwens niet alleen voor Indonesië; ik heb eens een vegetariër horen vertellen hoe hij er in China niet 'in slaagde duidelijk te maken dat hij uit principe geen vlees wilde eten. Iedereen trachtte hem uit te leggen dat het voedzaam, lekker en volstrekt ongevaarlijk was voor de gezondheid, en liem over te halen er toch eens van te proeven. Ze lieten zien hoe ze er zelf zonder enig nadelig effect van aten, met verrukte gezichten en welsprekende gebaren getuigend van de weldadige uitwerking op hun verhemelte. Het komische ligt in de voorspelbaarheid van zulke reacties. Indonesische vrouwen zullen zonder uitzondering haar diepe leedwezen te kennen geven wanneer een harer Westerse zusters blijkt geen kinderen te hebben en weigeren zich neer te leggen bij de uitleg dat deze omstandigheid opzettelijk is, waarbij een niet geringe bemoeizucht aan de dag kan worden gelegd. Zeer veel Aziaten zullen getuigen dat er bij hen wel degelijk vrijheid van drukpers bestaat, behalve natuurlijk voor excessen; zij zullen geduldig uitleggen waarom de lagere lonen en ondergeschikte posities van hun vrouwen geen bewijs zijn van ongelijkheid, en dat er bij hen geen homoseksualiteit bestaat. De mooiste herinneringen heb ik bewaard aan de keer dat ik geprobeerd heb een Japanner duidelijk te maken wat onder een Oidipous-complex wordt verstaan. Toen ik daarmee klaar was, legde hij uit: „Dat hebben wij in Japan niet." Sofismen Maar om de draad van mijn verhaal te hervatten: we spraken verder over de godsdienst. Van alle theologische discussies die in de loop der laatste vier eeuwen aan het Zonnegat zijn gevoerd (en dat zijn er ongetwijfeld niet weinig) was dit vermoedelijk niet de subtielste. Toch had ik mij de opgave gesteld niet te proberen de landmeter af te troeven of aan
te komen met sofismen. Het viel niet mee. De landmeter was kennelijk diep geschokt en kwam telkens met nieuwe argumenten. Een van de eerste was onvermijdelijkerwijze dat alles er toch niet 'zomaar' kon zijn, dat er toch iets of iemand moest zijn die het allemaal gemaakt had, en met een doel. Om daar naar eer en geweten in het Indonesisch op te antwoorden was geen eenvoudige taak. Ik probeerde duidelijk te maken dat het veronderstellen van een 'maker', berust op een naïeve analogie maar in feite nergens uit volgt en dat er aan dat maken geen zinnige voorstelling is te verbinden. En verder: waarom spreken van een doel, wanneer dat doel niet is te begrijpen? Wat ik bedoelde, was 'onkenbaar', maar zulke woorden weet ik niet in het Indonesisch. Veel verschil maakte het niet want ik had niet de illusie dat ik erin slaagde mijn bedoeling duidelijk te maken. Vervolgens moest ik proberen de landmeter te overtuigen dat iets niet noodzakelijkerwijze bestaat omdat er een woord voor is. Dat had hij jjamelijk na enig verder nadenken aangevoerd: er moest een God zijn want we hebben er een woord voor. — Hoe zit het dan met spoken en geesten? vroeg ik. Zijn er ook poentianaks, polongs en hantoe's omdat er woorden voor zijn? Gelooft u daar dan ook in? Hij antwoordde dat hij dat niet deed, maar dat was geloof ik omdat hij wel wist dat dat niet mocht van de dominee. Naar zijn gezicht te oordelen, was hij er niet zo van overtuigd dat die din-" gen er niet zijn en was wat ik gezegd had juist een argument voor het bestaan ervan. — Als het waar is wat u zegt, vervolgde hij daarna, dat er in het Westen miljoenen verstandige en geleerde mensen zijn die ook nergens in geloven, hoe komt het dan dat ook in het Westen de staatshoofden allemaal godsdienstig zijn, dat zijn toch aanzienlijke mensen, begiftigd met veel wijsheid en verstand. Wat moest ik daarop zeggen? Ik antwoordde naar waarheid dat ik dat laatste ernstig betwijfelde en ook vermoedde dat hun beweringen niet altijd even betrouwbaar waren. Ook hiervan schrok de landmeter weer hevig. Uit eerdere gesprekken, ook met anderen, had ik al vaak een indruk gekregen van het mateloze respect dat de meeste Indonesiërs koesteren voor 'hooggeplaatste' personen. Hij bleef een poosje nadenkend voor zich uit kijken. In de verte spiegelde zich de Goenoeng Api in het water. De Putra Indonesia, die de hele dag aan de kade had gelegen, begon haar ankers te hijsen en zich gereed te maken voor de nachtelijke oversteek naar Ambon; uit het inwendige van het schip kwam luide krontjongmuziek. De landmeter scheen het niet op te merken. — Ik wilde daarstraks al vragen, zei hij, zijn jullie soms communisten?
English translation
=== [Page 1] ===
EAST IS EAST AND WEST IS WEST (Nameless)
by Rudy Kousbroek
"What is your religion?" asked the surveyor while we were still sitting over the remains of the meal. "Are you Protestant or Catholic?" As happens more often in Indonesia I was faced with the dilemma: treat people as minors who had better not be confronted with the complications of the outside world, or answer honestly with the risk of shocking them. I decided on the latter. "Neither of the two," I said. As I had already expected, the surveyor found this answer strange. He himself was Protestant, from the Minahasa, and his boss, the engineer, was a Muslim from Java. I think the surveyor hoped that we too were Protestant; we might have been Catholic, and he would perhaps have found that a pity. But this answer fell outside his calculations. "What are you then?" he asked. "Nothing," I said. "Nothing? That can't be, you must have a faith." "No," I said, "I have no religion." The surveyor looked at us in turn in disbelief. If we had said we had no names he would not have found it stranger. "You neither?" he asked R. R. confirmed that he too had no religion. The surveyor was visibly dismayed. We had said something impossible and he looked for where the mistake lay. Had we not understood him? Had he not understood us? Were we making fun of him? The conversation had so far been conducted in English, of which he mastered no more than a few rudiments (and the engineer not even that). He tried to formulate his question anew. "You have understood us well," I said in Indonesian, "we have no faith at all: not in God, not in the Devil, not in supernatural forces, nothing. In Europe that is nothing so extraordinary, there are many people there who have no faith." Now, that was something that the ministers in the Minahasa had evidently never told him and the surveyor visibly had difficulty with it. Meanwhile in the conversation that followed I got into difficulties in my turn: as a child I spoke Malay fluently, but not about questions of life philosophy. In the camp, and later when I tried to translate a novella by Pramoedya, I did learn quite a few things, but a conversation about difficult and abstract subjects remains a dark jungle for me. In addition, many Indonesians who do not belong to the older upper layer really do not have the vaguest idea of certain Western views and circumstances, so that one unnoticed becomes entangled in childish examples and inadequate comparisons, and precisely as a result of attempts not to simplify the truth ends up in an exaggerated or artificial standpoint. Some subjects have the status of evergreens, such as psychoanalysis, feminism, homosexuality and other Western peculiarities. That is, incidentally, not only true of Indonesia; I once heard a vegetarian tell how in China he did not succeed in making clear that he did not want to eat meat on principle. Everybody tried to explain to him that it was nutritious, tasty and completely harmless to health, and to persuade him to taste it nevertheless. They showed how they themselves ate it without any adverse effect, with delighted faces and eloquent gestures testifying to the beneficial effect on their palates. The comical lies in the predictability of such reactions. Indonesian women will without exception express their deep regret when one of their Western sisters turns out to have no children and refuse to accept the explanation that this circumstance is deliberate, whereby a not inconsiderable meddlesomeness can be displayed. Very many Asians will testify that freedom of the press does indeed exist with them, except of course for excesses; they will patiently explain why the lower wages and subordinate positions of their women are no proof of inequality, and that homosexuality does not exist among them. The finest memories I have kept of the time that I tried to make clear to a Japanese what is meant by an Oedipus complex. When I had finished, he explained: "We don't have that in Japan."
Sophisms
But to resume the thread of my story: we went on to talk about religion. Of all the theological discussions that have been conducted in the course of the last four centuries at the Sun Hole [?] (and there are undoubtedly not a few) this was presumably not the most subtle. Yet I had set myself the task of not trying to trump the surveyor or come up with sophisms. It was not easy. The surveyor was evidently deeply shocked and kept coming up with new arguments. One of the first was inevitably that everything could not just be there "like that", that there must be something or someone who had made it all, and with a purpose. To answer that to the best of my knowledge and conscience in Indonesian was not a simple task. I tried to make clear that supposing a "maker" rests on a naive analogy but in fact follows from nothing and that no sensible idea can be attached to that making. And further: why speak of a purpose when that purpose cannot be understood? What I meant was "unknowable", but I do not know such words in Indonesian. It did not make much difference because I had no illusion that I succeeded in making my intention clear. Next I had to try to convince the surveyor that something does not necessarily exist because there is a word for it. After some further thought he had namely put forward that: there must be a God because we have a word for it. "What about ghosts and spirits then?" I asked. "Are there also pontianaks, polongs and hantus because there are words for them? Do you believe in those too?" He answered that he did not, but that was, I believe, because he knew that that was not allowed by the minister. Judging by his face, he was not so convinced that those things do not exist and what I had said was precisely an argument for their existence. "If it is true what you say," he continued afterwards, "that in the West there are millions of sensible and learned people who also believe in nothing, how is it that in the West too the heads of state are all religious, those are after all considerable people, endowed with much wisdom and understanding." What was I to say to that? I answered truthfully that I seriously doubted the latter and also suspected that their statements were not always equally reliable. At this too the surveyor was greatly alarmed. From earlier conversations, also with others, I had often gained an impression of the boundless respect that most Indonesians cherish for "highly placed" persons. He remained looking ahead thoughtfully for a while. In the distance the Goenoeng Api [Gunung Api] was mirrored in the water. The Putra Indonesia, which had lain at the quay all day, began to hoist her anchors and to get ready for the night crossing to Ambon; from the interior of the ship came loud kroncong music. The surveyor did not seem to notice. "I wanted to ask just now," he said, "are you perhaps communists?"