De Chinees: Op schoolfeesten waren we gelijk, dat was modern (The Chinese: At school parties we were equal, that was modern)
Cleaned OCR text (Fair (0.874); proof-reading: no (script-cleaned only)). Old Indonesian spelling has been converted to modern EYD. [Unreadable] marks text that could not be recovered. English translation below.
Text
Steeds minder mensen verhalen nog van het echte oude Indië; en als ze het doen klinkt het vaak somber of nostalgisch. In deze interviews met 'oud-indischga'sten' komen mensen aan het woord die gewone, vrolijke of avontuurlijke herinneringen aan 'Indië' bewaren. Deze week: Dr. Go Gien Tjwan. Sasza Malko en Carolijn Visser Er waren zoveel verschillende groepen Chinezen. Je had een groep die Chinees sprak en nog echte Chinese kenmerken had, dat waren de 'nieuwkomers', totok-Chinezen, ze kwamen rechtstreeks uit China, maar uit zeer verschillende streken en ze spraken verschillende dialecten. Je had ook Chinese families die al sinds eeuwen in Indië zaten en wier voorvaderen in de loop van de tijd met Indonesische vrouwen waren getrouwd en langzamerhand half Indonesisch waren geworden. Dat waren peranakanChinezen, baba-Chinezen. Daar hoorde mijn familie bij. Peranakan betekent 'kind van het land'. Een peranakan-Blanda is een Hollander die sinds vele generaties in Indonesië woont. Er waren heel veel onderlinge verschillen; peranakan-Chinezen hadden minachting voor de nieuwkomers, wij vonden hen minder aangepast aan de Indische omgangsvormen, ze spuugden bijvoorbeeld gewoon op de grond, na veel gerochel. Zoiets doe je toch niet? Daar schaam je je voor! Zo ontstaat een scheiding tussen de groepen. Omgekeerd keken de nieuwgekomen Chinezen op ons neer omdat wij geen Chinees spraken en melk dronken in plaats van thee en in een Chinees restaurant de eetstokjes niet konden hanteren. Onbeschaafd waren we. Toch werden alle Chinezen gedwongen een aparte groep te vormen, daar werden ze ingeduwd door de apartheidspolitiek, ik schroom niet dat woord te gebruiken. Alle Chinezen werden op een hoop geveegd, wij waren de 'groep der vreemde oosterlingen', voor ons bestonden aparte wetten en regelingen. Andere vreemde oosterlingen waren Indiërs uit Brits Indië en Arabieren. Bovenaan stonden de Europeanen, de Indo's en de Japanners die al in 1899 door het Nederlandse gouvernement tot Europeanen waren verheven. Onderaan stonden de inlanders. Omdat alle Chinezen tot een groep behoorden, moesten wij
aan een bepaald beeld beantwoorden, zelfs in de ogen van Nederlanders die in Indonesië geboren en getogen waren. Een Chinees was een handelaar. De slimme handelaar, de onbetrouwbare handelaar, de vlijtige Chinees. De ene keer de betrouwbare Chinees, de ander keer de wrede, gewetenloze Chinees die de inlander uitbuit. Mijn vader was een succesvolle zakenman in Malang, hij kon het zich permitteren zijn kinderen naar een westerse school te sturen. Onze familie had een heel andere levenswijze dan de families die in onze Chinese wijk woonden. Mijn vader dronk bier en serveerde allerlei sterke drankjes aan zijn Hollandse relaties, rode wijn aan meneer pastoor. Onze wijk grensde toevallig aan de wijk van de Arabische gemeenschap. Evenals bij ons was er in hun buurt een speciaal hoofd aangesteld met een militaire rang. Je moet je zo'n wijk niet voorstellen als een gesloten burcht met muren eromheen. Arme Indonesiërs woonden tussen de arme Chinezen in de 'gangen', kleine steegjes. Aan de hoofdstraten had je winkels en de mooiere huizen waarachter de pakhuizen stonden. Een mooi Chinees huis was bijvoorbeeld mijn ouderlijk huis, of het huis van het hoofd der Chinezen in Malang, een Chinese mandarijn met een Hollandse titel van luitenant. Moet je je voorstellen, ons huis: twee boogvormige omritten, een enorme tuin, Indonesisch ingericht, met veel bloempotten, struiken en bomen. Het huis was geweldig hoog, Indisch van buiten
met prachtige Griekse zuilen, kariatiden haast. Van binnen was het een Chinees patriciërshuis, groot en koel met marmeren vloeren, uit zwarthout gesneden meubels en grote tafels. Diep achterin stond het altaar met de zieletabletten van de voorouders in een kast, die op de eerste en de vijftiende dag van de maand van het Chinese maanjaar open ging en waar offers werden gelegd. Het hoogtepunt van het jaar was de viering van het nieuwe maanjaar. Dat duurde twee weken, het grootste vuurwerk werd afgestoken op de vijftiende, de lange blauw-gele draak die de grote witte parel van de deugd najoeg, slingerde zich dan onder oorverdovend tromgeroffel door de straten van Petjinan, de Chinese wijk. Op de zevende dag werd gebeden: Chinezen kennen geen God, we hebben begrippen als universum, hemel en voorouders. Dat was de meest gewijde dag, een prachtig moment, met ceremoniële handelingen. Het huisaltaar werd in de open voorhal geplaatst, de wierookstokjes en de lange kaarsen brandden, de maan was in het laatste kwartier voordat ze rond en vol werd, dat gaf het gevoel dat de mens een is met de kosmos. Mijn Hollandse schoolvriendjes nam ik mee naar de afsluiting; ze wilden dat ook meemaken. De hele gemeenschap leefde in die dagen op straat, het was een groot feest. Wij Chinezen hadden allemaal het gevoel van afzondering. We werden als een aparte groep gezien en daarom voelden we ons ook anders. Maar toen ik opgroeide in de jaren dertig begon
die scherpe rassenscheiding minder te worden. Ik zat op een westerse HBS met Indonesische en Hollandse kinderen. Een middag met Chinese vrienden was anders dan met Hollandse jongens. Je ging bijvoorbeeld nooit met een Hollandse vriend naar de hanengevechten kijken, want dat was verboden door de politie, daar werd gegokt. Met Chinese en Indonesische jongens van de kampong wedden we om een halve cent op onze vechtkrekels die we in een bamboe kokertje met lombok tot agressieve beestjes opfokten. Met Hollandse vrienden ging ik gezellig praten over dit en dat, over meisjes, schuine moppen vertellen, of over literatuur praten, gewoon, wat jongens allemaal doen in die leeftijd. De hele maatschappij werd modern. Bijvoorbeeld in de Chinese jeugdvereniging waarin ik zat, was Hollands de voertaal, we speelden biljart en pingpong, deden mee in de voetbal en korfbalcompetitie, we lazen Het Leven, Oriënt, Illustrated London News en La Vie Parisienne. Kijk eens, de juffrouw in de parfumeriezaak gaat zich anders kleden en gedragen dan een juffrouw in een viswinkel of op de markt. Zo was het ook met mij. Als ik met Hollandse vrienden naar een concert ging, praatten we over Beethoven en Mozart, met mijn Chinese vrienden sprak ik over Sun Yat Sen en Chiang Kai Shek. Vanuit je rol neem je een bepaalde houding aan. Mijn vader zei altijd: de derde klas in de trein is goed genoeg voor ons Chinezen, maar ik ga altijd tweede klas, alleen om te laten zien dat ik niet de mindere ben van de Europeanen. Die situatie begon te veranderen in de jaren dertig. Af en toe had je nog wel confrontaties, maar de houding van de Europeanen werd minder hard, ook zij begonnen derde klas te reizen. Op de HBS zei de leraar eens tegen mij: jij Chinees, jij zult toch nooit de juiste uitspraak leren. Toen heb ik hem laten zien dat ik het wel kon! Op die school schreef ik eens een opstel over Nazisme in Duitsland, de leraar zei: een Chinees kan niet zo'n goed opstel schrijven, toen kreeg ik in plaats van een acht een vijfeneenhalf. Later werd ik toch bevriend met die leraar: hij had zijn fout ingezien. Op schoolfeesten waren we allemaal gelijk, dat was modern. Hoogstens probeerde je iets van je Chinese afkomst te laten zien. De meisjes droegen vaak de Shanghai-dress, zo'n lange, met een split en dat stijve kraagje. Vanuit de Chinese gemeenschap kon je wel mixen, maar men deed dat niet graag. Wanneer iemand in Holland ging studeren, zei z'n vader streng: denk erom, je komt niet terug met een Hollandse vrouw! De praktijk was natuurlijk toch anders. Pas op de universiteit kreeg ik het gevoel dat ik met iedereen kon omgaan op voet van gelijkheid. Ik zat op de letterenfaculteit van Batavia en studeerde geschiedenis. Ik kreeg college van een van de jongste professoren die de Nederlandse geschiedenis ooit heeft gekend: Wertheim. Hij was toen 27 jaar. Ik was secretaris van de Chinese studentenvereniging en ik ging me hoe langer hoe meer verdiepen
in de idealen van de Indonesische studenten. O, pas op, als je in die tijd over een Indonesiër sprak in plaats van over een inlander dan was je een rode, een communist. De Nederlanders maakten geen onderscheid tussen nationalisten en communisten. In de waroeng, een soort koffiebar van de hogeschool, ontmoetten de Chinese en Indonesische studenten elkaar. Daar werd over politiek gediscussieerd. Bij mijn weten kwam daar maar één Europese docent, de etnoloog dr. Held, maar geen enkele Europese prof. Met mijn belangstelling voor politiek was ik wel een uitzondering onder de Chinezen. Ons was vooral geleerd: politiek is gevaarlijk, daar moet je je ver van houden. Daar was zelfs een speciale term voor: hong hiam, gevaarlijk in het Chinees. Als je toevallig stond te praten met iemand die politieke interesse had, hoorde je later: daar moet je niet mee omgaan, dat doe je niet. We leefden in zoveel werelden tegelijk. Als we onze moedertaal Maleis spraken, gebruikten we veel Chinese woorden. Dat drukte ook een apart stempel. De Chinese taal werd wel gebruikt, maar niet door ons. Als je een Chinese winkel binnenkwam, konden we wel in het Chinees vragen: hoe duur is dat? En de getallen konden we ook wel in het Chinees zeggen. Dat was Pasar-Chinees, pasar, bazaar met andere woorden, de handelstaal. De kunst van de Chinese kalligrafie kenden wij, de Hollands opgeleiden, niet meer. Mijn vader
nog wel. In de tijd van mijn grootouders had je reizende Chinese onderwijzers. Een groep Chinese families huurde zo'n onderwijzer voor drie, vier maanden. Tijdens de Chinees-Japanse oorlog in 1937 kreeg je een enorme opleving van Chinees gevoel, in heel zuidoost-Azië werden fondsen bijeengebracht. Vanuit Java werd een groep artsen naar China uitgestuurd. Tegelijkertijd werden veel pogingen gedaan weer Chinees te leren, maar ja, met al die andere talen op school was dat meestal een mislukking. Eerlijk gezegd, als kind had je daar ook weinig zin in. Later als je het gevoel kreeg dat het toch belangrijk was, ging je naar een Chinese onderwijzer. Ik heb wel vrienden die dat hebben volgehouden. Door die opleving van Chinees gevoel in de jaren dertig verdwenen ook geleidelijk aan de wrijvingen tussen de nieuwe en de oude groepen Chinezen. De nieuwkomers stichtten moderne Chinese scholen met goed geschoolde onderwijzers die uit China kwamen. Daarna gingen sommigen naar behoorlijke universiteiten in China. Er kwamen ook veel zogeheten Chinees-Maleise kranten, ze werden door Chinezen uitgegeven, maar hun betekenis voor de Indonesische bevolking was enorm. De Sin Po bijvoorbeeld, was pro-China maar stond open voor de ideeën van de Indonesische nationalisten. Daarin, in die Chinese krant, werd voor het eerst het Indonesische volkslied gedrukt. Daar was
moed voor nodig. En toch verweten veel mensen de Chinezen dat wij altijd aan de zijlijn stonden en alleen maar aan geld dachten. De Chinese gemeenschappen waren zo verschillend, voorouderverering en Confuciaanse ethiek waren misschien de enige belangrijkste gezamenlijke trekken. Bij ons bestond een enorm respect voor de oudere generaties, niet alleen voor je ouders maar ook voor je oudere broer of zus. Je sprak elkaar aan met bepaalde titels. Bovendien bestond binnen elke Chinese gemeenschap een zeer sterke gemeenschappelijke binding. Dat kwam natuurlijk ook door de van buitenaf opgelegde isolatie, net zoals bij joden in Europa. Ondanks alle verschillen zorgde je voor elkaar. Er bestonden liefdadigheidsverenigingen, er waren ook Chinese klinieken die werden betaald uit donaties. De grootste plicht heb je natuurlijk ten aanzien van je familie. Je behoort iemand te helpen, soms in de vorm van geld, of in de vorm van diensten. Door bepaalde rituelen waren sterfgevallen erg duur. Daarom waren er speciale verenigingen opgericht om ook de armeren fatsoenlijk te kunnen begraven. Die verenigingen waren oorspronkelijk triades, zelfverdedigings-organisaties, slapende geheime genootschappen. Je wist dat ze bestonden, je wist alleen niet wie de leden waren. Ze ontstonden vanuit de behoefte van de gemeenschap. In tijden van rellen bijvoorbeeld zetten zij wachtposten in de buurt. Ze waren helemaal niet crimineel, hoewel ze later vaak wel in misdaadorganisaties ontaardden. Zoveel werelden om je heen. Op school leerden wij in Latijns schrift schrijven, Indonesisch, Frans, Duits, Engels, maar Chinees niet meer. Dat is het hem juist. Als jongen raakte je daar helemaal niet van in de war, zo tragisch was de verwarring niet. De twijfel komt pas veel later, niet als je jong bent. Die komt als je opa begint te worden, als de tijd komt voor de echte bezinning. ■ Dit was de laatste aflevering van Hun Indië. De serie verschijnt dit najaar in boekvorm bij uitgeverij Sijthoff.
De Chinese wijk Petjinan in Malang
English translation
=== [Page 1] ===
THE CHINESE: At school parties we were all equal, that was modern. THEIR INDIES
[Series introduction:] Fewer and fewer people still tell of the real old Indies; and when they do it often sounds gloomy or nostalgic. In these interviews with "old Indies hands" people speak who keep ordinary, cheerful or adventurous memories of "the Indies". This week: Dr. Go Gien Tjwan. Sasza Malko and Carolijn Visser
There were so many different groups of Chinese. There was a group that spoke Chinese and still had real Chinese characteristics, those were the "newcomers", totok Chinese, they came directly from China, but from very different regions and they spoke different dialects. There were also Chinese families who had been in the Indies for centuries and whose forefathers in the course of time had married Indonesian women and gradually had become half Indonesian. Those were peranakan Chinese, baba Chinese. My family belonged to them. Peranakan means "child of the country". A peranakan-Blanda is a Dutchman who has lived in Indonesia for many generations. There were very many mutual differences; peranakan Chinese had contempt for the newcomers, we found them less adapted to Indies manners, they spat for instance simply on the ground, after much hawking. You just don't do such a thing! You are ashamed of that! That is how a separation between the groups arises. Conversely the newly arrived Chinese looked down on us because we did not speak Chinese and drank milk instead of tea and in a Chinese restaurant could not handle the chopsticks. Uncivilised we were. Yet all Chinese were forced to form a separate group, they were pushed into it by the apartheid policy, I do not shrink from using that word. All Chinese were swept onto one heap, we were the "group of foreign Orientals", separate laws and regulations existed for us. Other foreign Orientals were Indians from British India and Arabs. At the top stood the Europeans, the Indos and the Japanese who had already in 1899 been raised to Europeans by the Dutch government. At the bottom stood the natives ("inlanders"). Because all Chinese belonged to one group, we had to live up to a certain image, even in the eyes of Dutch people who were born and raised in Indonesia. A Chinese was a trader. The clever trader, the unreliable trader, the industrious Chinese. One time the reliable Chinese, another time the cruel, unscrupulous Chinese who exploits the native. My father was a successful businessman in Malang, he could afford to send his children to a Western school. Our family had a completely different way of life than the families that lived in our Chinese quarter. My father drank beer and served all kinds of strong drinks to his Dutch relations, red wine to the parish priest. Our quarter happened to border on the quarter of the Arab community. As with us, a special head with a military rank was appointed in their neighbourhood. You should not imagine such a quarter as a closed fortress with walls around it. Poor Indonesians lived among the poor Chinese in the "gangs" [gang], small alleys. On the main streets you had shops and the finer houses behind which stood the warehouses. A fine Chinese house was for example my parental home, or the house of the head of the Chinese in Malang, a Chinese mandarin with a Dutch title of lieutenant. Imagine, our house: two arched driveways, an enormous garden, laid out in Indonesian fashion, with many flowerpots, shrubs and trees. The house was tremendously high, Indies from the outside with splendid Greek columns, almost caryatids. Inside it was a Chinese patrician house, large and cool with marble floors, furniture carved from black wood and big tables. Deep at the back stood the altar with the soul tablets of the ancestors in a cabinet, which opened on the first and the fifteenth day of the month of the Chinese lunar year and where offerings were laid. The highlight of the year was the celebration of the new lunar year. That lasted two weeks, the biggest fireworks were set off on the fifteenth, the long blue-yellow dragon chasing the great white pearl of virtue wound then to deafening drum rolls through the streets of Petjinan, the Chinese quarter. On the seventh day prayers were said: Chinese do not know God, we have concepts such as universe, heaven and ancestors. That was the most sacred day, a beautiful moment, with ceremonial acts. The house altar was placed in the open front hall, the incense sticks and the long candles burned, the moon was in its last quarter before it became round and full, which gave the feeling that man is one with the cosmos. I took my Dutch school friends along to the closing; they wanted to experience that too. The whole community lived in those days on the street, it was a big party. We Chinese all had the feeling of separateness. We were seen as a separate group and therefore we also felt different. But when I grew up in the thirties that sharp racial separation began to diminish. I was at a Western HBS with Indonesian and Dutch children. An afternoon with Chinese friends was different from one with Dutch boys. You never went, for example, with a Dutch friend to watch the cockfights, because that was forbidden by the police, there was gambling. With Chinese and Indonesian boys from the kampong we bet half a cent on our fighting crickets that we bred into aggressive little creatures in a bamboo tube with chilli. With Dutch friends I would pleasantly chat about this and that, about girls, tell dirty jokes, or talk about literature, just what boys do at that age. The whole society became modern. For example in the Chinese youth association I belonged to, Dutch was the language, we played billiards and ping-pong, took part in the football and korfball competition, we read Het Leven, Oriënt, Illustrated London News and La Vie Parisienne. Look, the young lady in the perfumery will dress and behave differently from a young lady in a fish shop or at the market. It was the same with me. When I went to a concert with Dutch friends we talked about Beethoven and Mozart, with my Chinese friends I spoke about Sun Yat Sen and Chiang Kai Shek. From your role you adopt a certain attitude. My father always said: third class on the train is good enough for us Chinese, but I always go second class, just to show that I am not inferior to the Europeans. That situation began to change in the thirties. Now and then there were still confrontations, but the attitude of the Europeans became less hard, they too began to travel third class. At the HBS the teacher once said to me: you Chinese, you will never learn the correct pronunciation. Then I showed him that I could! At that school I once wrote an essay about Nazism in Germany, the teacher said: a Chinese cannot write such a good essay, then I got instead of an eight a five and a half. Later I did become friends with that teacher: he had seen his mistake. At school parties we were all equal, that was modern. At most you tried to show something of your Chinese descent. The girls often wore the Shanghai dress, the long one with a slit and that stiff little collar. From the Chinese community you could mix, but people did not like to. When someone went to study in Holland, his father said sternly: mind you, you are not coming back with a Dutch wife! The practice was of course different. Only at university did I get the feeling that I could associate with everyone on a footing of equality. I was at the faculty of letters of Batavia and studied history. I had lectures from one of the youngest professors Dutch history has ever known: Wertheim. He was then 27 years old. I was secretary of the Chinese students' association and I became more and more absorbed in the ideals of the Indonesian students. Oh, careful, if in those days you spoke of an Indonesian instead of an "inlander" you were a red, a communist. The Dutch made no distinction between nationalists and communists. In the waroeng, a kind of coffee bar of the college, the Chinese and Indonesian students met. There politics was discussed. To my knowledge only one European lecturer came there, the ethnologist Dr. Held, but not a single European professor. With my interest in politics I was an exception among the Chinese. We were taught above all: politics is dangerous, you must keep far away from it. There was even a special term for it: hong hiam, dangerous in Chinese. If you happened to be talking with someone who had political interest, you heard later: you should not associate with that person, you don't do that. We lived in so many worlds at the same time. When we spoke our mother tongue Malay, we used many Chinese words. That also put a separate stamp on it. The Chinese language was used, but not by us. When you entered a Chinese shop we could ask in Chinese: how much is that? And the numbers we could also say in Chinese. That was Pasar-Chinese, pasar, bazaar in other words, the trade language. The art of Chinese calligraphy we, the Dutch-educated, no longer knew. My father still did. In the time of my grandparents there were travelling Chinese teachers. A group of Chinese families hired such a teacher for three, four months. During the Sino-Japanese war in 1937 there was an enormous revival of Chinese feeling, funds were raised throughout Southeast Asia. From Java a group of doctors was sent to China. At the same time many attempts were made to learn Chinese again, but yes, with all those other languages at school that was mostly a failure. Honestly, as a child you also had little desire for it. Later when you got the feeling that it was important after all, you went to a Chinese teacher. I do have friends who kept that up. Through that revival of Chinese feeling in the thirties the frictions between the new and the old groups of Chinese also gradually disappeared. The newcomers founded modern Chinese schools with well-trained teachers who came from China. Afterwards some went to decent universities in China. There also appeared many so-called Chinese-Malay newspapers, they were published by Chinese, but their significance for the Indonesian population was enormous. The Sin Po for example was pro-China but open to the ideas of the Indonesian nationalists. In it, in that Chinese paper, the Indonesian national anthem was printed for the first time. Courage was needed for that. And yet many people reproached the Chinese that we always stood on the sidelines and only thought of money. The Chinese communities were so different, ancestor worship and Confucian ethics were perhaps the only most important common traits. With us there was an enormous respect for the older generations, not only for your parents but also for your older brother or sister. You addressed each other with certain titles. Moreover within every Chinese community there was a very strong communal bond. That was of course also due to the isolation imposed from outside, just as with Jews in Europe. Despite all differences you looked after each other. There were charity associations, there were also Chinese clinics that were paid from donations. The greatest duty you have of course towards your family. You are supposed to help someone, sometimes in the form of money, or in the form of services. Through certain rituals deaths were very expensive. Therefore special associations were founded to be able to bury the poorer decently as well. Those associations were originally triads, self-defence organisations, dormant secret societies. You knew they existed, you just did not know who the members were. They arose from the need of the community. In times of riots for example they posted sentries in the neighbourhood. They were not criminal at all, although later they often degenerated into crime organisations. So many worlds around you. At school we learned to write in Latin script, Indonesian, French, German, English, but Chinese no longer. That is just it. As a boy you did not get confused by it at all, the confusion was not that tragic. The doubt comes only much later, not when you are young. It comes when you are becoming a grandfather, when the time comes for real reflection.
■ This was the last episode of Their Indies. The series will appear in book form this autumn from publisher Sijthoff.
(Caption: The Chinese quarter Petjinan in Malang)