Djakarta rekent er op dat Soebandrio's rol spoedig is uitgespeeld (Jakarta expects Subandrio's role will soon be played out)
Cleaned OCR text (Good (0.902); proof-reading: no (script-cleaned only)). Old Indonesian spelling has been converted to modern EYD. [Unreadable] marks text that could not be recovered. English translation below.
Text
(Door onze reisredacteur mr. H. L. Leffelaar)
DJAKARTA. Als een wajangvoorstelling, het aloude Javaanse schimmenspel, ontrolt zich de nasleep van de 30 september-affaire inde Indonesische hoofdstad. En evenals het wajangspel is het politieke schimmenspel ingewikkeld en vol verrassende wendingen. Op het ogenblik is dr. Soebandrio, minister van buitenlandse zaken, een van de belangrijkste figuranten. Waarnemers houden het erop dat zijn rol spoedig zal zijn uitgespeeld.
Tegelijkertijd houdt men zich onledig met speculaties over zijn vermoedelijke opvolger. Drie namen worden in dit verband regelmatig genoemd: Chairoel Saleh, derde vice-premier; Leimena, tweede vicepremier; en brig.adier-generaal Joesoef, minister van binnenlands handel en gevolmachtige voor de minister van buitenlandse handel. De laatste lijkt op het ogenblik de beste papieren te hebben.
Hoewel de gedesorganiseerde staatsgreep van Oentong heeft doen vermoeden dat de gelederen van de Indonesische communistische partij minder goed georganiseerd waren dan algemeen werd aangenomen, zijn er nu berichten dat er kort na de opstand van 30 september in Cheribon, Zuid-Borneo, en op Bali pogingen werden ondemofnen tot de oprichting vaneen revolutionaire raad, kennelijk in navolging van de raad die door Oentong in hét leven werd geroepen. Volgens het met de Islamitische partij verbonden dagblad Karya Bhakti, zou op 10 oktober een geheime vergadering van kopstukken van de eommünistische partij zijn gehouden onder leiding van de vice-voorzitter van de partij, Loekman. Deze vergadering zou zijn bijgewoond door o.a. dein Leiden afgestudeerde drs. J. Piry, economisch deskundige van de partij, en de schoonmoeder van partijvoorzitter Aidit, mevrouw Moedigdio. Dit bericht volgt op de hielen van geruchten dat de communistische partij zich thans tracht te rehabiliteren, en met een „gezuiverd” voorkomen probeert zich vaneen stem ineen nieuwe Indonesische regering te verzekeren. Inmiddels zet het leger de razzia’s voort op personen verdacht vaneen aandeel inde opstand. Niet, alleen leden van communistische organisaties, maar ook Chinese ingezetenen zouden het hierbij moeten ontgelden. Volgens ooggetuigen zou het leger het eilandje Onrust, voor Tandjong Priok, de haven van Djakarta, hebben ingericht als een voorlopig interneringskamp, waar enkele duizenden gearresteerden worden verhoord. ' Sabotage De zuiveringsacties hebben zelfs het personeel bereikt van hotel Indonesia, waar een groot aantal bedienden, leden van communistische vakbonden, werd ontslagen en waar anderen verklaringen hebben moeten ondertekenen, waarin zij hun trouw aan de president betuigen. Met de toenemende druk die nu wordt uitgeqefend op de communistische partij1, wordt ook het gevaar van ondergrondse acties niet langer denkbeeldig. De veronderstelling is dat fanatieke communistische eenhedén zich zouden kunnen groeperen tot kleine cellen, die opdracht krijgen op grote of kleinere schaal sabotage te plegen. De eerste tekenen hiervan zijn te onderkennen in berichten vaneen staking van trein-machinisten in Semarang en Solo. Al eerder waren er rapporten van pogingen waarbij communistische partijleden, geprobeerd hebben een aantal vitale bedrijven over te nemen, waaronder het Unileverbedrijf in Soerabaja. Een van de talrijke vraagtekens die men bij een analyse van de gevolgen van de recente gebeurtenissen op de verhouding tussen Djakarta en Peking moet plaatsen, geldt het feit, dat de Chinese ambassade opnieuw de aandacht on zich heeft geve'stigd door geen deel te nemen aan de officieel afgekondigde rouw in verband met de moorden op de regimentskommandant van Djakarta, kolonel Katarnso, en majoor Soegijono. Zondag, terwijl alle buitenlandse ambassades de vlaggen halfstok hadden hangen, stond de vlag van de Chinese volksrepubliek nog steeds in top. De ambassade nam ook geen deel aan de algemene rouw bij ds dood van de zes op 30 september vermoorde generaals, en ontving daarvoor een protest van de Indonesische regering. Algiers Sommige waarnemers brengen deze houding in verband met een cónflict tussen Peking en Djakarta over het houden van de aangekondigde tweede Afro-Aziatische conferentie in Algiers op 5 november. Terwijl communistiscli-China, Pakistan en Cambodja zich tegen deze conferentie hebben verklaard, is Indonesië nog steeds een voorstander. Aangezien de Afro-Aziatische gedachte afkomstig is van president Soekarno, is het mogelijk dat Indonesië zich ineen positie bevindt waarbij afzeggen van deelneming aan de conferentie als een terugslag beschouwd zou kunnen worden op de Indonesische president, en dat op een tijdstip waarop hij zich een dergelijk prestige-verlies nauwelijks kan veroorloven. Vanuit dit standpunt bezien zou Indonesië, mocht de Afro-Aziatische conferentie toch doorgang vinden, zich in ieder geval een spreekbuis maken voor het anti-imperialistische refrein door Peking tot vervelens toe ten gehore gebracht, terwijl bij het niet doorgaan van de conferentie de eer van zowel rood-China als Indonesië zouden zijn gered.
English translation
=== [Page 1] ===
(By our travel editor Mr H. L. Leffelaar) DJAKARTA. Like a wayang performance, the age-old Javanese shadow play, the aftermath of the 30 September affair unrolls in the Indonesian capital. And like the wayang play the political shadow play is complicated and full of surprising turns. At the moment Dr Soebandrio, minister of foreign affairs, is one of the most important figures. Observers hold that his role will soon be played out.
At the same time people are occupied with speculation about his probable successor. Three names are regularly mentioned in this connection: Chairoel Saleh [Chaerul Saleh], third deputy prime minister; Leimena, second deputy prime minister; and Brigadier-General Joesoef [Jusuf], minister of domestic trade and plenipotentiary for the minister of foreign trade. The latter seems at the moment to have the best credentials.
Although Oentong's [Untung's] disorganised coup has suggested that the ranks of the Indonesian communist party were less well organised than was generally assumed, there are now reports that shortly after the uprising of 30 September attempts were made in Cheribon [Cirebon], South [Java] (sic: "South Borneo"), and on Bali to set up a revolutionary council, evidently in imitation of the council brought into being by Oentong. According to the daily Karya Bhakti, linked to the Islamic party, a secret meeting of leading figures of the communist party was held on 19 [sic: "10"] October under the leadership of the party's vice-chairman, Loekman [Lukman]. This meeting was reportedly attended by, among others, the Leiden graduate drs. J. Piry, economic expert of the party, and the mother-in-law of party chairman Aidit, Mrs Moedigdio. This report follows hard on the heels of rumours that the communist party is now trying to rehabilitate itself and, with a "purged" appearance, is trying to secure a voice in a new Indonesian government. Meanwhile the army continues the raids on persons suspected of a part in the uprising. Not only members of communist organisations but also Chinese residents are said to bear the brunt. According to eyewitnesses the army has set up the little island of Onrust, off Tandjong Priok, the harbour of Djakarta, as a provisional internment camp where a few thousand arrested persons are interrogated.
Sabotage. The purge actions have even reached the staff of Hotel Indonesia, where a large number of employees, members of communist trade unions, were dismissed and where others had to sign statements professing their loyalty to the president. With the increasing pressure now being exerted on the communist party, the danger of underground actions is also no longer imaginary. The supposition is that fanatical communist units might group themselves into small cells, which are instructed to commit sabotage on a larger or smaller scale. The first signs of this can be recognised in reports of a strike of train drivers in Semarang and Solo. Earlier there had already been reports of attempts in which communist party members tried to take over a number of vital enterprises, including the Unilever company in Soerabaja. One of the numerous question marks that must be placed in an analysis of the consequences of the recent events for the relationship between Djakarta and Peking is the fact that the Chinese embassy has again drawn attention to itself by not taking part in the officially proclaimed mourning in connection with the murders of the regiment commander of Djakarta, Colonel Katamso [Katamso], and Major Soegijono [Sugiyono]. On Sunday, while all foreign embassies had their flags at half-mast, the flag of the Chinese People's Republic was still at the top. The embassy also did not take part in the general mourning at the death of the six generals murdered on 30 September, and received a protest from the Indonesian government for this.
Algiers. Some observers connect this attitude with a conflict between Peking and Djakarta about the holding of the announced second Afro-Asian conference in Algiers on 5 November. While communist China, Pakistan and Cambodia have declared themselves against this conference, Indonesia is still in favour. Since the Afro-Asian idea originates from President Soekarno, it is possible that Indonesia finds itself in a position in which withdrawing from participation in the conference could be regarded as a setback to the Indonesian president, and that at a moment when he can hardly afford such a loss of prestige. Seen from this standpoint, should the Afro-Asian conference go ahead after all, Indonesia would in any case make itself a mouthpiece for the anti-imperialist refrain sung ad nauseam by Peking, while if the conference does not go ahead the honour of both Red China and Indonesia would be saved.